Ethische Perspectieven 15 (2008) 3

Voorwoord

Bart Pattyn  

Veerle Achten  


Deze bundel wordt opgedragen aan Herman De Dijn en verschijnt ter gelegenheid van zijn emeritaat. Zoals iedereen weet, heeft Herman De Dijn een uitgesproken interesse voor grenzen en rituelen. Deze keer is hij er zelf het voorwerp van. Het verlenen van een emeritaat vormt immers een ritueel, het markeert een overgang. Het berust niet op individueel initiatief maar wordt voltrokken. Het ritueel maakt deel uit van een kader waarover het individu niet beschikt en waarover het geen zeggenschap heeft. In tal van bijdragen heeft Herman De Dijn de functie van dit kader bestudeerd en er ons op gewezen hoe belangrijk en kwetsbaar het is.

In een academische context kan je er als individu naar verlangen om buiten dit kader iets onverwachts, origineels of baanbrekends te zeggen. Als je dat probeert, kom je zoals Foucault in L’ordre du discours tot het besef dat wie het woord neemt dat alleen maar kan omdat het hem tegelijk wordt verleend. Dat iemand bijvoorbeeld college kan geven, is omdat het hem door een gemeenschap wordt toegestaan, waarbij erop wordt toegezien dat het gezegde het canvas van de gangbare grenzen en rituelen niet beschadigt. In de naweeën van de woelige jaren zestig verlangde Foucault naar bevrijding. Hij leek grenzen te beschouwen als een inperking en controle als een bedreiging. Maar tegelijk kwam hij tot het besef dat buiten het institutionele kader om geen enkel discours ernstig wordt genomen. Zonder positie, zonder discipline, zonder traditie, zonder status wordt niemand het recht van spreken toegekend. Sinds die woelige jaren, waarin oude structuren de rug werd toegekeerd, is Herman De Dijn samen met tal van zijn collega’s zich gaandeweg bewust geworden dat het een illusie is te denken dat mensen tot zelfontplooiing kunnen komen buiten elk betekeniskader om. Het is omdat er levensvormen bestaan, het is omdat er een common sense heerst, dat mensen zich zinvol kunnen uitdrukken en engageren. Zo kunnen we elkaar de hand geven omdat er instituties bestaan en kunnen we ons geëerbiedigd en geborgen voelen omdat er een verstandhouding bestaat die dat vertrouwen wettigt. Zo kunnen we mensen eervol van de ene fase van hun bestaan naar een andere fase begeleiden, omdat er rituelen bestaan.
Het besef dat wat we doen mogelijk is omdat we ons kunnen inschrijven in een levensvorm, impliceert dat wat je als academicus kan ondernemen iets is wat je in de eerste plaats te danken hebt aan anderen. Het omgekeerde geldt echter ook. Het is omdat mensen zich geduldig van hun taak kwijten, het is omdat ze trouw zijn aan een instelling en zich diep hebben geëngageerd om datgene waarvoor die instelling staat waar te maken, dat die instelling voor komende generaties ruimte en mogelijkheden creëert. De gemeenschap is dan ook dankbaar. Dat geldt op de eerste plaats voor het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte waarin mede door de wijze en beredeneerde inzet van Herman De Dijn een open en stimulerende verstandhouding tot ontwikkeling is gekomen. Dat geldt ook voor de K.U.Leuven waarin Herman op een cruciaal moment mee vorm heeft gegeven aan het beleid. Dat geldt ook voor het Overlegcentrum voor Ethiek dat zich dankzij de steun van zijn toegewijde voorzitter kon ontwikkelen tot een kritisch overlegorgaan en een forum voor ethische en maatschappelijk relevante discussies. En dat geldt tenslotte ook voor onze samenleving in haar geheel, waarvan het kritisch potentieel door Hermans publieke interventies werd versterkt. Voorliggende bundel, waarin Kardinaal Godfried Danneels en tal van vrienden en collega’s een bijdrage hebben geschreven, geldt als de symbolische uitdrukking van dank en erkenning.
De opzet van deze bundel was om bijdragen te publiceren over de betekenis van de inbreng van Herman De Dijn in de discussie over ethiek en religie in de Lage Landen. We danken de auteurs die zonder aarzelen aan dit initiatief hebben willen meewerken. Ongetwijfeld zouden we nog tal van andere mensen bereid gevonden hebben om aan deze bundel bij te dragen. Het aantal vrienden en collega’s die Herman De Dijn een warm hart toedragen is immers bijzonder groot. Om de omvang van de bundel te kunnen inperken, schreven we collega’s en vrienden aan die door Herman werden beïnvloed of die met hem nauw samengewerkt hebben.

Kardinaal Godfried Danneels behandelt Herman De Dijn als katholieke intellectueel. Vanuit een opiniestuk dat De Dijn eerder publiceerde, werkt Kardinaal Danneels uit wat een katholieke intellectueel precies is en belicht hij de nood aan meer van dergelijke intellectuelen in Vlaanderen.

De bijdrage van Guido Vanheeswijck bespreekt het oeuvre van Herman De Dijn zelf. Tot 1986 concentreerde De Dijn zich op Spinoza en Hume, daarna schreef hij ook cultuurfilosofische reflecties. Vanheeswijck wijst op de continuïteit van deze evolutie. Als sociaal naturalisten verdedigden Spinoza en Hume de centrale menselijke waarden die verbonden zijn met ‘reactieve’ attitudes. Deze term van Strawson verwijst naar het verschil tussen een objectieve wetenschappelijke houding en een moreel betrokken houding. De Dijn wijst erop dat de wetenschap geen antwoord heeft op de menselijke vragen naar betekenis en pleit voor het uithouden van de spanning tussen traditie en moderniteit. Vanheeswijck ziet met de tijd echter een kentering in De Dijns houding, vanuit een groeiend besef dat de betekenis van typisch menselijke houdingen bedreigd wordt door de onthechte observatie van het oprukkende harde naturalisme. Hij wijst ook op een moeilijkheid in de conceptualisering van De Dijns visie en bespreekt vijf vragen die erdoor opgeroepen worden.

Daarna publiceren we een bijdrage van Herman De Dijn zelf. Het is de lezing die hij gaf op de Politeia-Conferentie van maart 2008 waarin hij Martha Nussbaum, naar aanleiding van haar meest recente boek Liberty of Conscience, van repliek diende. In die lezing bekritiseert De Dijn Nussbaums artificiële religiebenadering. Volgens De Dijn kan religie niet gelijkgeschakeld worden met het zoeken naar inzicht en waarheid, alsof het om een rationele overtuiging of een keuze gaat. Nussbaums stelling dat alle religieuze symbolen gelijkwaardig zijn, lijkt ook niet te berusten op een waarheidsgetrouwe overtuiging, maar op een beslissing die kenmerkend is voor het liberalisme en er in bestaat pijnlijke problemen toe te dekken. Door de klemtoon te leggen op de autonomie van het subject met zijn ‘vrijstaande ethische kern’ miskent Nussbaum de gespletenheid van het subject en het geïncarneerde karakter van betekenis. Nussbaums religiebenadering blijkt te zijn ingegeven door haar impliciete voorkeur voor de liberale, rationalistische en geseculariseerd protestantse cultuur.

Eén van de meest fundamentele redenen waarom De Dijn zich niet met Nussbaums religieopvatting kan verzoenen is haar overtuiging dat religieuze symbolen en praktijken uitdrukkingen zijn van een algemeen menselijke affiniteit. Symbolen en rituelen worden op die manier opgevat als uitdrukking van een affiniteit, terwijl het denkmodel van Herman De Dijn van precies het omgekeerde uitgaat. Het is niet een affiniteit die aanleiding geeft tot symbolen en rituelen, het zijn de symbolen en de rituelen die aanleiding geven tot affiniteit. Deze voorstelling van zaken gaat terug op de overtuiging dat onze leefwereld geconstitueerd wordt door een symbolische orde en niet door een orde die daar zou aan voorafgaan. Ook al heeft Herman De Dijn in sommige van zijn bijdragen een beroep gedaan op de notie ‘menselijke natuur’ en op principes die boven elke rationele betwisting zouden verheven zijn, toch neemt hij aan dat de basis van ethiek symbolisch-cultureel van aard is. Die stelling wordt vlijmscherp beargumenteerd in de bijdrage van Arnold Burms, die door De Dijn in zijn bijdragen steevast als discussiepartner werd en wordt vermeld. Vanuit een grote vertrouwdheid met de gedachten van De Dijn legt Burms uit waarom de symbolische orde ook belang heeft voor de biologische realiteit en waarom belichaamde betekenissen niet rationeel gefundeerd kunnen worden. In de daarbij aansluitende bijdrage van Bart Pattyn worden de epistemologische vooronderstellingen die in het werk van Herman De Dijn en Arnold Burms aan bod komen tegen klassieke stellingen afgezet. Er wordt uiteengezet hoe dit verontrustende epistemologische paradigma tot behoudsgezinde stellingen aanleiding geeft.

In de bijdrage van Paul Moyaert wordt aangetoond hoe ook voor godsdienst geen rationele fundering mogelijk is, maar dat dit niet wegneemt dat godsdienst diep verankerd is in de menselijke omgang met symbolen. Moyaert werkt het belang uit van de aanraking als symboolhandeling, bijvoorbeeld in het gebed met iconen, een aspect dat niet aan bod komt in theologische opvattingen zoals die van bijvoorbeeld Marion. Walter Van Herck bespreekt de bekeringservaring, die volgens hem geen verandering van mening is. Religie is niet gebaseerd op een rationele overtuiging – het ‘geloven’ – waarvoor gekozen wordt vanuit een neutrale, objectief afwegende basishouding. Ook atheïsme is een levensbeschouwing en ook geloofsverlies is een soort ‘bekering’. Omdat het om een existentiële thematiek gaat, kan de geloofsvraag nooit objectief benaderd worden, maar ben je er altijd zelf bij betrokken. Volgens Van Herck gebeurt bekering dus altijd in een crisismoment en niet via de neutrale tussenfase van een levensbeschouwelijk vacuüm. Uiteindelijk is de gehechtheid aan een bepaalde levensbeschouwing altijd ook geworteld in iemands opvoeding en achtergrond.

Willem Lemmens vat de positie van Herman De Dijn overzichtelijk samen. Vanuit een filosofisch onderbouwde antropologie, vertrekkend vanuit Spinoza en Hume, verdedigt De Dijn de geïncarneerde symbolische orde en stelt hij de utopie van de Verlichtingsideologie aan de kaak. Omdat er geen natuurlijke of metafysische basis is voor de unieke waardigheid van de mens, is het van uitzonderlijk belang dat kwetsbare morele traditie niet het voorwerp wordt van lichtzinnige speculatie.

Antoon Vandevelde gaat op zoek naar mogelijke ethische theorieën achter een verdediging van de menselijke waardigheid zoals die bij De Dijn terug te vinden is. De Dijn vertrekt vaak van de morele intuïties die samenlevingen en tradities al delen. Vandevelde probeert de (eerder beleidsmatige) consequenties van bepaalde principes na te gaan. Hij bespreekt absolutistische en consequentialistische denkwijzen en toont aan dat consequentialisme niet altijd tot offers moet leiden. Vooral het voorbeeld van organenhandel werkt hij uit, waarbij hij enkele mogelijke consequentialistische antwoorden in kaart brengt.

Paul Schotsmans van het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht gaat met De Dijn in dialoog vanuit diens artikel “De bio-ethische discussie over de vermarkting van eicellen. De bio-ethiek als probleem” in Ethische Perspectieven 18:1, begin 2008. In dit artikel betreurt De Dijn dat het besef van de ‘heiligheid’ (of het taboe) van het menselijke lichaam niet meer op begrip kan rekenen in het bio-ethische debat. Omdat morele conventies geen metafysisch fundament hebben, zijn ze kwetsbaar en moeten we er voorzichtig mee omspringen. Schotsmans wil vanuit zijn praktijkervaring De Dijns indruk van het bio-ethische debat nuanceren. Dit debat vertoont volgens hem een grote diversiteit, waarbinnen ook plaats is voor de waarde van een mensenleven.

Rudi Visker bespreekt de manier waarop de publieke ruimte functioneert, bijvoorbeeld in het debat rond religieuze symbolen. Hij vertrekt vanuit de ervaring van de anonieme stad in contrast met de publieke ruimte als ontmoetingsplaats in het dorp. In reactie op Scheffers tegenstelling tussen delen en verdelen stelt hij dat verdeeldheid geen verbrokkeling hoeft te impliceren. Hij verwijst naar het beeld van de tafel bij Arendt als een manier om tegelijk te delen en afstand te houden in de publieke ruimte. Van daaruit werkt hij uit hoe symbolen de ruimte geven aan iets dat zich in ons indrukt en dat ons tot last zou zijn als we het niet objectief konden representeren en verruimtelijken.

Net zoals De Dijn in zijn bijdrage vertrekt Paul van Tongeren vanuit het standpunt van Martha Nussbaum, deze keer in verband met schaamte. Voor Nussbaum is schaamte altijd negatief als teken van een krenking van een narcistische almachtsfantasie. Van Tongeren ziet ook een positieve kant aan schaamte als uiting van het willen beschermen van een kwetsbare kern. Hij bespreekt verschillende aspecten van schaamte, zoals de onthulling, het verlies van geborgenheid, het vastzitten aan iets ongewenst, de ontkenning, de positieve ontdekking van het niet samenvallen met dat waar je je voor schaamt, maar tegelijk het onbeheersbare ervan. Hij wijst op de menselijke kwetsbaarheid in de nood aan aanvaarding en de machteloosheid van het overgeleverd zijn aan anderen, maar spreekt tegelijk over het geluk van de aanvaarding.

Roland Breeur analyseert de verschuiving in de interpretatie van emoties de laatste decennia. Emoties worden steeds meer begrepen als stemmingen, los van een handelingscontext of de betrokkenheid op een wereld. De vraag naar de gepastheid van emoties wordt minder gesteld. Een gevoel van zinloosheid verwijst niet naar een wereld die zijn zin verliest, maar wordt een medisch syndroom. Een goed zelfbeeld is niet het resultaat van verdiende achting, maar een gevoel. Deze tendensen leiden tot sentimentalisme en therapisme. Bovendien ziet Breeur dat binnen een cultuur van machteloosheid met nadruk op de mens als slachtoffer steeds meer ‘symbolische’ acties gesteld worden die geen reëel verschil maken. De media stimuleren bij het publiek imaginaire emoties die de mogelijkheid bieden van een onmiddellijke reactie die het overbodig lijkt te maken op een gepaste reële manier te reageren.

In deze bundel, die ook verschijnt als een themanummer van Ethische Perspectieven, vindt u twee besprekingen van boeken waar Herman De Dijn bij betrokken geweest is. Eerst is er het boek Spinoza. De geest is gewillig, maar het vlees is sterk van Miriam van Reijen, waar Herman De Dijn het voorwoord voor schreef. De Dijns eigen boek De uitgelezen Spinoza is een klassieker op dit gebied. Het andere boek, The Concept of Love in 17th and 18th Century Philosophy, bundelt bijdragen vanuit de in 2005 georganiseerde ContactFora onder de redactie van Herman De Dijn, Martin Moors en Gábor Boros.

Tenslotte vermelden we dat er ter gelegenheid van het emeritaat bij uitgeverij Peeters (in samenwerking met het Overlegcentrum voor Ethiek) een nieuw boek van Herman De Dijn is verschenen: Grensovergangen. Over geesteswetenschap, universitair beleid en samenleving. In dit boek pleit De Dijn voor grensoverschrijding en interdisciplinariteit in de geesteswetenschappen en in de filosofie. Alleen zo kan de universiteit werkelijk van belang zijn voor het maatschappelijke debat en voor de conversaties die de cultuur vormgeven. Hij behandelt ook de huidige tendens naar een ‘managerial university’ als symptomatisch voor een laatkapitalistische maatschappelijke ontwikkeling geobsedeerd door beheersing en zekerheid.

Voorliggende bundel is meer dan een formeel eerbetoon. Hij biedt perspectief op een erfenis en impliceert meteen ook een opdracht, een opdracht die niet gemakkelijk te vervullen zal zijn. De redeneringen die Herman De Dijn en zijn collega’s tot kritische standpunten hebben geleid, zijn subtiel en veronderstellen de bereidheid om over complexe vraagstukken na te denken. In een wereld waarin over vraagstukken wordt gedacht als ging het om technische problemen die men zondermeer kan uitbesteden aan experten, wordt ternauwernood aan die voorwaarde voldaan. Er is veel kritische reflectie nodig om wat Herman De Dijn ‘common sense’ noemt, tegen onzorgvuldige reflectie en ondoordachte retoriek te beschermen.


 Pagina : 283 - 287

Naar  Ethische Perspectieven 3/2008