Ethische Perspectieven 3 (1993) 4

Hoger Instituut voor de Wijsbegeerte : 'Soren Kierkegaard over de liefde'

Johan Taels


Zoals bekend is Kierkegaard een complex en moeilijk te doorgronden auteur. De ongewoon doordachte en misleidende vorm van zijn geschriften, het vernuftige en ironische gebruik van pseudoniemen, de veelvuldig gehanteerde techniek van dubbele bodems en Chinese dozen, hebben al menig lezer en interpreet in de war gebracht. Desondanks kan over het uitgangspunten de grondgedachte van zijn oeuvre nauwelijks enige twijfel bestaan. Als een natuurlijk en onmiddellijk (esthetisch) wezen, zo luidt zijn centrale intuïtie, zit de mens verstrikt in een zinsbedrog; in de illusie namelijk dat hij van nature uit thuis is in het eigen huis.

Zo beeldt hij zich in dat hij als een voltooid en autonoom ik in onmiddellijk contact staat met zichzelf, de wereld en de anderen; en dat hij het goede in alle directheid als iets externs zou kunnen denken, grijpen en institutionaliseren. Maar het tegendeel is waar. De concrete werkelijkheid van het zelf is helemaal niet onmiddellijk gegeven of direct toegankelijk; zij is zelfs uiterst weerbarstig. In feite leidt de onmiddellijke mens dan ook een abstract bestaan, ver van zichzelf: 'hij leeft in verhouding tot het eigen zelf alsof hij voortdurend onderweg en nooit thuis is.'

 Pagina : 226 - 228

Naar  Ethische Perspectieven 4/1993