Ethische Perspectieven 24 (2014) 3
Voorwoord
Jelle Zeedijk
Een interessante vraag die Philip Dutré zich aan het einde van zijn bijdrage in dit nummer van Ethische Perspectieven stelt, is de vraag of een computer, daartoe toerust met de meest geavanceerde software ook werkelijk complexe denkprocessen zal voortbrengen of een bewustzijn zal ontwikkelen als hij daartoe niet wordt aangespoord door de noodzaak een organisch lichaam te voeden en in stand te houden. Een dergelijke overweging, die iets heeft van een speelse mijmering, zonder dat duidelijk is hoe de opgeworpen vraag precies beantwoord kan worden, toont dat het domein van de techniekfilosofie alles behalve beheerst wordt door techneuten die met een groot vooruitgangsgeloof het menselijk leven louter reduceren tot computermodellen. Ook bij hen, en misschien juist door hun specialistische kennis, rijzen de vragen die ze in een onbewaakt moment misschien als filosofisch herkennen. De techniekfilosofie is daarmee – zeker in een tijd waarin technologische vooruitgang in een soort stroomversnelling lijkt te zijn – een veelkleurig filosofisch domein, dat de reflectie bovendien haast vanzelf naar antropologische en morele thema’s leidt.
Met veel plezier besteden we in dit nummer dan ook aandacht aan de meest recente editie van het Feest van de Filosofie, dat dit jaar op 5 april plaatsvond in Leuven en in het teken stond van ‘Mens en techniek’. In de openingslezing van Bernard Stiegler, die u hier in vertaling vindt, wordt een nieuwe wetenschap, de ‘algemene organologie’ naar het hart van de wetenschappen gemanoeuvreerd. Het gaat om een unificerend paradigma dat alle aspecten van de menselijke ontwikkeling en de verschillende kennis die rond aspecten van die ontwikkeling is ontstaan kan samenbrengen en zo tot werkelijke interdisciplinariteit kan leiden. Hoe die algemene organologie er precies uitziet blijft nog wat in het ongewisse, maar Stiegler geeft met zijn uiteenzetting over onze ‘lezende hersenen’, waarin vanuit de Franse wijsgerige traditie (Derrida, Canguilhem, Simondon) de ambivalentie van de techniek wordt gethematiseerd, alvast een stimulerende aanzet. De ‘farmacologische vraag’ zoals Stiegler dat noemt moet in de nieuwe organologie centraal staan. Met de nieuwe mogelijkheden die de mens dankzij de techniek wint, verliest hij er oude. Transhumanisme lijkt onvermijdelijk.
De duistere kant van de farmacologische ontwikkeling komt ook duidelijk naar voor in de bijdrage van Jens de Vleminck. Hij sprak tijdens het Feest van de Filosofie met de Nederlandse schrijver-essayist Bas Heijne over de impact van moderne communicatietechnologie op onze privacy. In zijn bijdrage ‘Brave New World? Over het verlangen naar transparantie en het recht op privacy in het digitale tijdperk’ geeft hij een impressie van dit gesprek en borduurt hij verder op de problematiek van privacy die recent, naar aanleiding van onthullingen over het werk van geheime diensten, veel weerklank vond in de media.
Philip Dutré maakt zich als computerwetenschapper in de eerste plaats niet direct zorgen over de impact van de zich snel ontwikkelende techniek op de cultuur en de versnelde ondergang van het Avondland. Hem interesseert eerst en vooral de techniek zelf, en hij weet – ook voor leken – inzichtelijk te maken hoe een nakende ‘technologische singulariteit’ niet alleen afhankelijk is van steeds krachtiger computers, maar ook van de aanwezige software. Het wordt in zijn bijdrage duidelijk dat de vraag of computer ooit ‘zelfstandig zullen kunnen denken’ en een menselijk bewustzijn zullen ontwikkelen een beetje naast de kwestie is. Als computers taken zelfstandig en verstandig kunnen uitvoeren, en – net als de meeste mensen – kunnen leren van hun fouten, dan wordt de vraag naar het achterliggende zelfbewustzijn irrelevant.
Dat deze vraag vooralsnog blijft bestaan en een zekere spanning inhoudt, zien we in de bijdrage ‘Verliefd op Samantha’, waar we dit nummer mee besluiten. Esther Keymolen gaf een voorbeschouwing bij de film ‘Her’ van Spike Jonze die tijdens het Feest van de Filosofie vertoond werd. De film speelt in 2025, in een tijd die volgens de huidige inschatting een scala aan extra technologische mogelijkheden zal bieden. De hoofdpersoon wordt verliefd op Samantha, het intelligente besturingssysteem dat zijn dagelijks leven begeleidt. Keymolen opent twee perspectieven op de film. Een perspectief dat waarschuwt voor de totale vervreemding die zo’n hoogtechnologische wereld kan bieden, en een perspectief waarin de mens als een inherent technisch wezen benaderd wordt. In dit perspectief staan mens en technologie niet tegenover elkaar, maar vormen authenticiteit en kunstmatigheid juist elkaars mogelijkheidsvoorwaarde. Dit laatste perspectief lijkt misschien een rechtvaardiging van de allesverpletterende technologische industrie, die bovendien grote economische belangen met zich meebrengt, maar wie weet twijfelt zelfs de meest verstokte kroontjespenfilosoof na lezing van deze bijdragen over de aanschaf van een e-reader.
Pagina : 213 - 214