Ethische Perspectieven 24 (2014) 4
Voorwoord
Jelle Zeedijk
Bernhard Schlink opent het laatste nummer van 2014, het jaar waarin de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog omstandig herdacht werd, met de lezing die hij eerder dit jaar in Leuven gaf in het kader van de Politeia conferentie. De tekst ‘Een verleden om te herinneren, een verleden om te vergeten’, vormt geen vurig pleidooi voor de noodzaak van herdenking van het verleden. Het is eerder een bezonnen reflectie over de morele rechtvaardiging van de eis tot herdenking van het verleden. Schlink weet daarbij de herdenking van dramatische historische conflicten op wereldschaal terug te brengen tot de omgang tussen goede vrienden die elkaar niet loochenen, of de diepgang die een relatie krijgt doordat een koppel het gedeelde verleden cultiveert. Er bestaat volgens Schlink geen echte een morele rechtvaardiging voor de herdenking van het verleden, maar wie in zijn leven betekenisvolle relaties wilt uitbouwen kan zich niet veroorloven volledig onverschillig met het verleden om te gaan. Dat geldt voor persoonlijk contact tussen mensen, maar ook voor naties die op elkaar betrokken zijn of een verleden delen.
We sluiten het decembernummer af met een tekst van Loïc Wacquant, die een paar jaar voor Schlink te gast was in Leuven. Naar aanleiding van dat bezoek publiceerden we toen ‘Het huwelijk van “workfare” en “prisonfare” in de eenentwintigste eeuw’. Die tekst was voornamelijk gestoeld op zijn onderzoek naar het strafbeleid in Amerika, een onderzoek dat in zijn boek ‘Straf de armen’ werd uiteengezet. ‘Klasse, etniciteit en de staat in het ontstaan van stedelijke marginaliteit’ vormt een pendant van dit boek. Het bevat veel ideeën die ook in zijn werk ‘Paria’s van de stad’ terug te vinden zijn, en sluit af met een vijftal principes die sociologisch onderzoek naar stedelijke marginaliteit zou moeten eerbiedigen, wil ze de al te sensationele these van de gettoïsering van de grootstad van kritisch weerwerk kunnen dienen.
De uitbreiding van de euthanasiewet in België, die ook eerder dit jaar in een bijdrage van Casteur, Bieseman en Mortier en in een bijdrage van Willem Lemmens besproken werd wordt nu nog eens hernomen door Bert Vanderhaegen, hoofdaalmoezenier van het Universitair Ziekenhuis in Gent. ‘Het hellend vlak is een feit’ stelt hij. Niet alleen een evaluatie van de praktijk van de eerste tien jaar dat de wet in voege is brengt hem tot deze conclusie, maar ook de wijze waarop de mogelijke uitbreiding van de wet wordt beargumenteerd. De standpunten verschuiven beetje bij beetje omdat de wet zo is geformuleerd dat een ruimere interpretatie mogelijk is, en voorstanders pleiten dat de tijd nu rijp is om die wet ook daadwerkelijk ruimer te interpreteren. Voor Vanderhaegen is dat een hellend vlak.
Dat de ruimte om de wet te interpreteren wel vaker van cruciaal belang is in onze rechtsstaat kan blijken uit de bijdrage van Pol van de Wiel. Naar aanleiding van een hele reeks ‘incidenten’ waarbij het OM het laatste jaar ongunstig in het nieuws kwam buigt hij zich ‘over de plaats van het Openbaar Ministerie binnen de rechtsstaat in Nederland’. Twee visies op die plaats, een instrumentalistische en een machtskritische blijken bij nader inzien al vanaf het werk van Montesquieu niet in tegenstrijd gedacht te worden, maar worden beschouwd als twee aspecten die het recht altijd in zich verenigt. De uitdaging voor het OM lijkt het vandaag de dag – de analyses van Wacquant indachtig – vooral om de machtsuitoefening van overheidswege kritisch te evalueren, en eerder terughoudend te zijn in het antwoord op de instrumentalistische vraag om bepaalde ‘onaangepaste’ personen uit de samenleving te verwijderen.
Tot slot nog een woord over de discussie tussen Jos Berghman en Kim De Witte over het rapport van de pensioenexperten, waarvan we in de sectie Mededelingen & debat een schriftelijke neerslag opnemen. Met die discussie opende de reeks Metaforum Middaggesprekken dit academiejaar op 25 september. Jos Berghman zou een paar weken later met emeritaat gaan, maar is aan de vooravond van de viering onverwachts overleden. Degenen die hem gekend hebben, les van hem hebben gehad of met hem hebben mogen samenwerken zullen wellicht zijn milde, minzame stem herkennen.
Pagina : 289 - 290