| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Politiek van goede bedoelingen. |
 |
 |
Hans Achterhuis |
| |
Amsterdam, Boom- 1999 |
 |
| |
De rechtstreekse aanleiding voor dit essay van Hans Achterhuis is de behoefte om de NAVO-interventie in Kosovo te begrijpen. De `humanitaire interventie' die plaats vond ging sluipenderwijs over tot een bijna totale oorlog waarbij de vijand in toenemende mate gediaboliseerd werd. De vraag die Achterhuis in Politiek van goede bedoelingen stelt is hoe het zo ver kon komen? Achterhuis twijfelt niet aan de nobele morele doelen die met deze oorlog werden gesteld, maar onderstreept in zijn essay vooral dat ze niet gerealiseerd werden.
Het eerste probleem is dat de huidige internationale politiek hoge (morele) doelen had gesteld voor de interventie in Kosovo. Achterhuis maakt aan de hand van de politieke filosofie van Hannah Arendt en de geschriften van Machiavelli duidelijk dat het doel- middelschema niet thuis hoort in de politiek. Machiavelli maakte in Il Principe reeds duidelijk dat hoge morele doeleinden in de politiek altijd door de middelen worden verdraaid en gecorrumpeerd. Machiavelli keek naar de concrete doelen die een politicus zich stelde en beoordeelde dan of de middelen die ingezet werden deugdelijk waren om het gestelde doel te bereiken. Hij weigerde daarbij consequent slechte daden goed te noemen omdat ze voor een nobel doel werden ingezet of een goed effect hadden, wat hem de hoon van vele generaties na hem heeft opgeleverd. Nochtans was Machiavelli het tegendeel van een utopist. Achterhuis merkt op dat deze realistische benadering uiteindelijk minder grote wreedheden voortbrengt dan de voorstellen van vele utopische statenbouwers.
Bij Hannah Arendt behoren doelen en middelen tot het domein van de maakbaarheid, waarin de mens de materie naar zijn hand kan zetten. In de politiek gaat het echter om het handelen binnen een netwerk van menselijke betrekkingen dat niet beheersbaar is. Bij maken hoort altijd een zeker geweld, maar in het politieke handelen hoort dergelijk geweld niet thuis. Daar gaat het om macht die uit de gezamelijkheid van de burgers ontstaat. Overigens wijst Achterhuis erop dat oorlog voeren zoals het in de NAVO-interventie gestalte heeft gekregen een heel bijzonder karakter heeft. Enerzijds is het een fraaie illustratie van een `apparatenparadigma', waarbij de technische apparatuur de mens steeds minder rechtstreeks betrokken is bij de natuur, maar ook bij het effect van zijn daden. Met een druk op de knop wordt een vijandelijk doel vernietigd. De persoonlijke inzet en het gevaar zijn daarmee voor de aanvallers tot een minimum herleid. Daarmee samenhangend ziet hij ook het probleem dat de waarden die men overal wil verdedigen, zoals medemenselijkheid, solidariteit en handhaving van de mensenrechten politiek blijkbaar niet zwaar genoeg wegen om ervoor te sterven. Daarmee is volgens Achterhuis de vraag of mensenrechten de basis kunnen zijn van een nieuwe politiek meteen negatief beantwoord.
Een tweede probleem is dat in de Kosovo-crisis de emoties aan de macht waren. De kracht van het hartverscheurend televisiebeeld mag niet onderschat worden als men kijkt naar de redenen om tot een militaire interventie te besluiten. Achterhuis merkt echter op dat wie de slachtoffers centraal stelt zonder naar de politieke context te kijken wel eens meer slachtoffers kan maken dan er helpen. Men mag daarbij niet vergeten dat er niet zoiets bestaat als een apolitieke, louter humanitaire interventie. Bovendien is het medelijden als achterliggend gevoel voor dergelijke interventies zelf ook verdacht. Het reduceert het subject immers tot slachtoffer. Als dat medelijden daarbij nog een politieke etalering krijgt, wordt het ronduit desastreus. Daarom houdt Achterhuis consequent een pleidooi voor de ontmoralisering van de politiek.
In de actualiteitsanalyse van Achterhuis voelt de lezer de gedrevenheid van de auteur. Precies dat vormt een deel van de charme van het essay. Het filosofisch gesprek met Machiavelli, Hannah Arendt en Finkielkraut is bovendien bijzonder actueel. De lezer heeft weinig moeite om Achterhuis' stelling dat een politiek van goede bedoelingen vaak meer slachtoffers maakt dan helpt. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar de vaak holle retoriek achter veel ontwikkelingsprojecten. Men kan ook meegaan met de idee van Arendt dat politiek gaat over het behoud en de inrichting van de wereld en dat dit uiteindelijk belangrijker is dan mensenlevens. Maar toch blijft men met de vraag zitten hoe we moeten reageren op flagrante schendingen van de mensenrechten of omgaan met etnische zuiveringen en extreem nationalisme. Of anders gesteld: wat is de kracht van politiek in de betekenis van Arendt als ze geconfronteerd wordt met een gewelddadig utopisme?
|
|
| |
Stef Leemen |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|