| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Inleiding tot de verwondering. |
 |
 |
Cornelis Verhoeven |
| |
Best, Damon- 1999 |
 |
| |
De Grotallegorie van Plato is voor Cornelis Verhoeven een tekst die blijvend te denken geeft. Verhoeven beschouwt de tekst niet als het fundament van het dualistische platonisme. De schijnwereld en de ideeënwereld staan niet mijlenver van elkaar. De inspiratie of vonk van Plato's denken spoort aan om te zoeken naar de werkelijke kern van de dingen. De verwondering levert de mens uit aan de dingen.
Het filosoferen is dan ook een steeds hernieuwde beweging die afgestemd wordt op het zo-zijn van de dingen. In dit zo-zijn manifesteert zich het anders-zijn. Dit andere is geen absolute alteriteit. Toch bestaan de dingen op zichzelf, los van het denken. Dit anders-zijn van de dingen brengt in het denken een schok teweeg die het denken voortdurend uitdaagt. Elke identiteit is steeds een uitgestelde identiteit voor het denken. Hierdoor staat het denken voor een oneindige opgave de werkelijkheid te denken zoals ze is, ook los van het denken.
Wanneer Verhoeven schrijft over “de radicalisering van de verwondering” verwijst hij naar de schokkende ervaring die de identiteit van dingen en mensen laat trillen in de onzekerheid van het anders-zijn. Precies in deze betrokkenheid op het uitstel wordt de identiteit gevormd.
Rond deze centrale gedachte brengt Verhoeven elf teksten samen. De eerste tien teksten zijn variaties in de reflectie op de verwondering: kennis, fascinatie, verbijstering, vervreemding, uitstel, begronding, verrassing, mijmering... Het zijn alle vensters die een perspectief openen op het denken. Het laatste hoofdstuk vormt de lectuur van twee grote wijsgerige tekstfragmenten: de Io en de Phaedrus van Plato en een zin uit de Vorlesungen über Ästhetik van Hegel. Beide auteurs hebben het over het `enthousiasme'. Dit enthousiasme heeft steeds een dubbele dynamiek: het opgenomen worden in het goddelijke en het goddelijke dat deel wordt van de mens (Plato); de betrokkenheid op de zaak en het door de zaak vervuld worden. Rond deze tweevoudige beweging van `vol zijn van het andere' en `opgaan in het andere' brengt Verhoeven de krachtlijnen van de voorgaande teksten samen.
De Inleiding tot de verwondering brengt de wijsgerige reflectie terug naar haar oorsprong. De systematiek van de encyclopedische kennis wordt opnieuw geënt op de fundamentele ervaring van betrokkenheid op de `steeds andere' werkelijkheid van waaruit de vragen oprijzen. De uitgave in de `Werken' van Verhoeven is, zoals men weet, een heruitgave van de tekst uit 1967. Het is merkwaardig dertig jaar later te zien hoe Verhoeven, zonder schijnbare verwijzingen naar het Franse deconstructiedenken, een eigen schrijfwijze ontwikkeld heeft die bij de lezer gelijkaardige effecten kan ressorteren. Zijn essayistische stijl is echter milder. Geen actieve lees-strategieën, maar vredevolle en ontvankelijke, maar daarom niet minder betekenisvolle, mijmeringen.
|
|
| |
Luc Anckaert |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|