| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| De transparante samenleving, inleiding en vertaling: H. Slager, |
 |
 |
Gianni Vattimo |
| |
Amsterdam, Boom- 1998 |
 |
| |
Dit boekje bevat naast een vertaling van La società trasparente uit 1989 een herwerkte lezing over `Het museum en de postmoderne ervaring van kunst'. Deze aandacht voor de kunst hangt samen met Vattimo's opvatting dat “zoals voor de gehele moderniteit, het wellicht ook voor de huidige tijd (geldt) dat de belangrijkste kenmerken van het bestaan, of `de zin van het zijn', om met Heidegger te spreken, zich helder en anticiperend aankondigen in de esthetische ervaring”. (p. 63) De cultus van het nieuwe en oorspronkelijke in de moderne kunst was verbonden met de idee van vooruitgang, het progressief zijn van de geschiedenis. De daarbij horende veronderstelling dat de geschiedenis een eenheid vormt is echter onhoudbaar gebleken. “Er is niet één geschiedenis, maar er zijn alleen beelden van het verleden vanuit verschillende gezichtspunten.” (p. 19) De opstand van de zogenaamde `primitieve' volken en het einde van de kolonisatie problematiseerde het Europese ideaal van humaniteit. Het bleek niet alleenzaligmakend, maar slechts een ideaal tussen andere. Daarnaast was volgens Vattimo ook de komst van de communicatiemaatschappij van doorslaggevende betekenis zowel voor de ontbinding van het geschiedenisbegrip als voor het einde van de moderniteit. In tegenstelling tot Adorno's opvating hebben de massamedia volgens Vattimo geen homogenisering van de samenleving teweeggebracht, maar zijn zij bepalend bij de ontbinding van `gecentreerde perspectieven'.
Daarmee hebben ze de postmoderne maatschappij niet transparanter, zelfbewuster en meer `verlicht' gemaakt, maar eerder complex en zelfs chaotisch. “Werkelijkheid is voor ons eerder het resultaat van intersectie en contaminatie van de door de media verspreide veelheid van beelden, interpretaties en reconstructies, die onderling strijdig zijn en zonder een `centrale' coördinatie.” (p. 23) Transparantie verschijnt in de titel van het eerste hoofdstuk dan ook met een vraagteken. Voor Vattimo ligt nu precies in deze situatie, in deze relatieve `chaos' onze hoop op emancipatie. Het oude emancipatie-ideaal moet dan echter vervangen worden door één “gebaseerd op oscillatie, pluraliteit en de definitieve uitholling van dat `realiteitsbeginsel' zelf”.
(p. 23)
De emancipatoire betekenis van dat verlies van realiteit is volgens Vattimo gelegen in de daarmee samenhangende ontheemding, die gelijktijdig ook een bevrijding van de verschillen is. In een pluralistische wereld wordt vrijheid ervaren als een oscillatie, “een voortdurend heen en weer gaan tussen erbij horen en ontheemding”. (p. 26) Dat is volgens Vattimo niet onproblematisch, maar het biedt wel een kans voor een nieuwe menselijke bestaanswijze.
In de volgende hoofdstukken worden dan verschillende aspecten van deze postmoderne situatie onderzocht, vooreerst de relatie tussen de menswetenschappen en de communicatiemaatschappij. Het ideaal van zelf-inzichtelijkheid dat we in veel sociale theorieën aantreffen wordt daarbij gedeconstrueerd. “De zelftransparantie waarnaar het samenspel van media en menswetenschappen ons voorlopig brengt, blijkt niets anders te zijn dan de onthulling van de pluraliteit.” (p. 43)
Eens ervan bewust dat de media en de sociale wetenschappen geen eenduidige realiteit presenteren, maar `fabuleren', dient de hedendaagse positie tegenover de mythe onderzocht te worden. Vattimo overloopt verschillende gangbare houdingen. Omdat ontmythologisering afhankelijk is van de idee van de geschiedenis als emancipatieproces blijkt zij zelf een mythe. In die zin maakt de mythe deel uit van de moderniteit, en is vooruitgang `nostalgisch'. "De ontmythologisering van de ontmythologisering kunnen we daarentegen beschouwen als het eigenlijke overgangsmoment van modern naar postmodern." (p. 59)
Voor zijn analyse van de hedendaagse kunst beroept Vattimo zich op het werk van Walter Benjamin en van Martin Heidegger. De ervaring van ontheemding en oscillatie tracht hij ermee te duiden. `Stichten en ontwrichten' zijn beiden constitutief voor de hedendaagse kunst. Daarmee wordt tevens de moderne droom van een esthetische bevrijding van het alledaagse, de utopische visie van een alomvattend samenvallen van esthetische en existentiële betekenis, gedeconstrueerd. In de plaats komt een `heterotopie', verwijzend naar een pluralisering van levensstijlen. Het schone is de ervaring van gemeenschap. Maar juist wanneer de gemeenschap als wereldgemeenschap “een `universeel' feit wordt, ondergaat ze een verveelvoudiging en onherroeplijke pluralisering”. (p. 87)
Volgens Vattimo zou ook het museum zich vandaag moeten richten op die nieuwe esthetische ervaring, niet meer “op het afzonderlijke werk als fetisj, maar op de `leefstijlen' van `mogelijke werelden' die zich in de werken aankondigen”. Het zou daartoe “een centrum van activiteiten moeten worden”. (p. 103)
Als kennismaking met het denken van Vattimo is de Nederlandse vertaling van dit boekje zeker welgekomen, ook al kan het voor velen — omwille van de bekendheid met postmoderne stellingen — als laattijdig overkomen. |
|
| |
Jef Peeters |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|