| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| De mateloosheid van het christendom. Over naastenliefde, betekenisincarnatie en mystieke liefde. |
 |
 |
Paul Moyaert |
| |
Nijmegen, Sun- 1998 |
 |
| |
De referentie vind je niet in het boek, maar de titel zou zijn gekozen naar aanleiding van een passage uit Nietzsche's Menschliches, Alzumenschliches (boek 1 § 114): Das Ungreichische im Christenthum, een passage die in het eerste nummer van het Tijdschrift voor Filosofie van dit jaar door Paul van Tongeren uitvoerig wordt besproken. De oude Grieken, zo schrijft Nietzsche, zagen de Homerische Goden niet als meesters en beschouwden zichzelf niet als hun knechten, in tegenstelling met de joden. Ze stelden zich hun goden voor als deel uitmakend van hun eigen adelijke kaste, als soortgenoten en niet als diametraal tegengestelde wezens.
De religie van de Italische volkeren had een agrarischer karakter en was doordezemd met bijgeloof in geesten en verschijningen. Uiteindelijk keerden ook de Grieken tot dit soort religie terug toen de Olympische goden terugtraden. Nietzsche verwijst hier wellicht naar het succes van de met de landbouw verbonden Dionysische religie en naar de mysteriecultussen zoals die van Demeter, religieuze bewegingen die er toe bijdroegen dat het klassieke Olympische pantheon vanaf de zesde eeuw werd verdrongen. Maar dan komt het: terwijl de klassieke Griek bij de aanblik van zijn goden niets van zijn eigenwaarde verloor en de Italische volken zich tegenover de goden vreesachtig gedroegen, brak en verpletterde het christendom de mensen volledig en dompelde hen in de modder.
Terwijl christenen daardoor het gevoel hebben extreme verschoppelingen te zijn, laat hun traditie een schijnsel van goddelijk erbarmen over hen heen glijden waardoor de compleet verraste, door genade bedwelmde gelovige, een kreet van verrukking uitstoot en zich voor een ogenblik de drager weet van het hele firmament. Op dit krankzinnig gevoelsexces — zo besluit Nietzsche — op dit soort verzieking van hart en hoofd, werken alle verdichtsels van het christendom verder: het christendom wil vernietigen, breken, verdoven en bedwelmen; alleen één ding wil het niet: maat houden: es will nur Eins nicht: das Maass. Het Christendom is met andere woorden ohne Maass, het is mateloos.
Wellicht hebt u het inderdaad nog nooit zo bekeken, maar als u zich de moeite getroost om het recente boek van Moyaert door te nemen raakt u er ongetwijfeld van overtuigd dat het christendom werkelijk drager is van iets mateloos, iets ongelimiteerd, iets ongetemd en onredelijk. Het liefdegebod bijvoorbeeld: in geen enkele religie lijkt men zo ver te gaan als in het christendom. Waar men gewoonlijk voorhoudt dat men nooit aan een ander moet laten gebeuren wat men zelf niet wil ondergaan, wordt in het christendom gesteld dat we onze vijand moeten beminnen, onvoorwaardelijk, zonder afdingen. Dat is op zichzelf beschouwd gekkenwerk; dit gebod is excessief.
Het veronderstelt — wil men het leefbaar maken — dat men het tempert. In het eerste deel van dit boek wordt deze gedachte uitgewerkt. Eens dat werd aangetoond dat datgene wat in het christendom aan de orde is, berust op een dynamiek die onze gangbare moraal, onze natuurlijke opvattingen over deugdzaamheid en zelfs onze maatschappelijke wetten doorkruist, wordt er gezocht wat ons in staat stelt met deze oninpasbare dynamiek om te gaan. Er is vooreerst de religieuze houding van het zich verschuldigd weten tegenover iets dat groter is dan ons. Die houding maakt het mogelijk te leven zonder dat het oninpasbare verzoek ons verplettert. Wie beseft in de schuld te staan kan meer verdragen dan een ander.
Ook de concrete morele richtlijnen die in de christelijke traditie vorm hebben gekregen, maken het mogelijk om met het excessieve karakter van het liefdegebod om te gaan: de dubbele lijst van de werken van barmhartigheid bijvoorbeeld: het zowel lichamelijk als geestelijk zorgdragen voor onze naasten. Ze hebben een domesticerende uitwerking. Het bemin je naaste komt in die lijst niet meer voor. De lijst lijkt zoals bij Levinas te functioneren als een bescherming niet tegen mogelijke schade of onheil aangebracht door derden, maar als een bescherming tegen de eigen excessieve verplichting ten opzichte van onze naaste.
Het tweede deel van het boek gaat over betekenisincarnatie, meer in het bijzonder over symbolen. Het mag niet gelezen worden alsof het eerste deel over de mateloosheid van het liefdegebod er niet aan voorafgaat, want ook het omgaan met symbolen en rituelen kan begrepen als een manier om menselijk om te gaan met de excessieve kracht van het christendom.
Het lijkt me erg belangrijk de invalshoek van dit deel nauwkeurig in te schatten. Moyaert neemt bij zijn beschrijving van symbolen en hun werkdadigheid een binnenswereldse positie in. De meeste gelovigen gaan uit van een compleet verschillend perspectief op symbolen en rituelen. In hun perspectief staat God centraal. Hij is het die onze schreden richt, het is in het licht van Zijn aanwezigheid, het is in het licht van de ontmoeting met God dat gelovigen symbolen interpreteren. Symbolen zijn voor hen immers sporen van Gods aanwezigheid, mogelijkheidsvoorwaarden van de zich aan de mens kenbaar makende God. Nu begint het boek van Moyaert met de boodschap: “Deze studie gaat over drie aspecten van de christelijke traditie: naastenliefde, zin voor symbolen en mystieke liefde. Het dogmatisch aspect van de openbaring komt niet aan bod.” (p. 9) Van het boek kunnen we aldus niet verwachten dat het ons rechtstreeks iets zal leren over God die zich in symbolen kenbaar maakt. Wat de auteur fascineert zijn de religieuze symbolen en gebruiken op zich. Hij laat ons zien hoe ze werken, wat hen onderscheidt van andere tekenen, in welke richting ze wijzen. Misschien zal u zich afvragen hoe hij dat kan doen zonder naar de achterliggende Goddelijke realiteit te verwijzen.
De methode die Moyaert voor zijn externe analyse gebruikt is sterk verwant met wat in de analytische wijsbegeerte wordt ondernomen wanneer bijvoorbeeld wordt nagedacht over ethiek. Concepten en gebruiken hebben in onze cultuur een gedeelde betekenis en het is mogelijk door middel van vergelijkingen en veronderstellingen de draagwijdte van deze fenomenen af te tasten: je kan bijvoorbeeld nadenken over het verschil tussen getuigen en overtuigen, tussen eerbied en interesse, tussen schroom en terughoudendheid. Al deze concepten functioneren in het culturele betekenissysteem waarin wij participeren en precies daardoor is het mogelijk erop te rekenen dat terwijl je de dynamiek van een betekenisproces uitlegt, anderen je kunnen volgen. In dit soort betekenisanalyse wordt het betekenissysteem beschouwd als constitutief.
Moyaert gedraagt zich tijdens zijn analyse echter niet als een onbewogen analist, maar stelt zich op als een gengageerd lezer en belever van de betekenissen die hij in zijn analyses aan het licht brengt. Hij hoopt met zijn analyses mensen te verleiden respect op te brengen voor wat zich door die religieuze betekenaars te kennen geeft. Hij is dus meer dan een leraar die uitlegt hoe iets werkt, hij is zelf een enthousiaste getuige van de werkzaamheid van wat zich in het christendom aandient. Hij prijst ze in zekere zin aan. Zijn teksten en uiteenzettingen hebben dan ook vaak wat weg van een zielsverheffend getuigenis.
Op basis van de analyse van hoe symbolen en rituelen op zich in onze cultuur betekenissen genereren komt Moyaert tot de vaststelling dat ze een bijzonder sterke zinstichtende kracht hebben. Ze zijn fundamenteel, zo fundamenteel zelfs dat ze manifestaties van Gods reële aanwezigheid kunnen worden genoemd. De weg die tot deze schijnbaar theologische conclusie leidt is echter niet dezelfde als deze die de theoloog doorgaans bewandelt: het is de analyse van de symboolkracht zelf die tot dit besluit aanleiding geeft en niet de metafysisch veronderstelde doorbraak van het bovennatuurlijke in het reële.
Naast de ethische en de symbolische omgang met de mateloosheid van het christendom is er tenslotte de affectieve omgang waarover het laatste deel van dit boek gaat. Het volgen van de dynamiek van het verlangen is een derde weg om met het ongetemde facet van het christendom om te gaan. Dat is de weg die door de mystici wordt gevolgd. Moyaert maakt zich sterk dat de grote mystici zich altijd bewust zijn geweest van het narcistisch karakter van deze invalsweg. Mystici wisten dat hun meditatie niet veel meer impliceert dan het passioneel cirkelen rond zichzelf. Dat mystici hun menselijke integriteit hierbij wisten te bewaren hebben ze te danken aan het feit dat ze zich omgeven wisten door een bijzonder sterke structuur (die van een sterk gereguleerd gemeenschapsleven) en omdat ze zich laten leiden door gedeelde symbolen en sacramenteel gebed. Het is slechts in begenadigde momenten dat mystici zich vervuld weten van de gedachte dat de eigen persoon en de eigen verlangens naar perfectie of deugdzaamheid er niet toe doen. Idealiter mondt deze beweging uit in een onbezorgde liefde zonder verlangen.
Het is duidelijk dat Moyaert zich in zijn boek distantieert van Nietzsches misprijzen voor de mateloosheid van het christendom. De Grieken die zich niet wisten vernederd door hun goden en die maat wisten te houden worden door Moyaert niet beschouwd als superieur of benijdenswaardig. Integendeel: de ongetemde dynamiek van het christendom maakt het tot een religie die mensen in beweging brengt, die hen motiveert voortdurend opnieuw allerhande parcours af te leggen. Zoals men in de context van poziemanifestaties propageert, lijkt Moyaert in de context van de religie te pleiten voor `behoud de begeerte'.
Bacon zou hebben geschreven: A little philosophy makes men atheists: A great deal reconciles them to religion (David Hume, The Natural History of Religion, Sect. VI). Voor Moyaert is deze stelling te zwak. Ik heb de indruk dat het vuur van zijn betoog iets is waar verkleumde theologen zich kunnen aan warmen. Dat betekent niet dat de filosofie van de religie die in het boek over de mateloosheid van het christendom wordt weergegeven recupereerbaar is voor theologen. Daarvoor zijn een aantal van de vooronderstellingen ervan moeilijk integreerbaar.
|
|
| |
Bart Pattyn |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|