| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Ästhetik der Metapher. Zum Streit zwischen Philosophie und Rethorik bei Friedrich Nietzsche. |
 |
 |
Anne Tebartz-Van Elst |
| |
Freiburg/München, Karl Alber- 1994 |
 |
| |
Het boek Ästhetik der Metapher van Tebartz-van Elst is duidelijk de interessantste studie van de hier besproken werken. De aanzetten in Nietzsches teksten oefenen een enorm grote invloed uit op de hedendaagse continentale taalfilosofie. Zowel het Franse deconstructiedenken (met als hoofdtenor Jacques Derrida) als de hermeneutische traditie (waar vooral de studies van Ricoeur belangrijk zijn) kunnen niet om Nietzsche heen. Tebartz stelt zich in haar studie tot doel de waarheidsproblematiek in Nietzsches teksten te bestuderen vanuit de spanningsverhouding tussen retoriek en filosofie. Het uitgangspunt wordt uiteraard gevonden in de stelling dat de retoriek en de stilistiek geen uiterlijke opsmuk zijn van de filosofische ideeën, maar dat de taal tot de grondvoorwaarden van het denken behoort. Zoals in de niet vermelde studie van IJsseling (Retoriek en filosofie) vertrekt ze in haar lectuur bij de moeilijk te vinden vroege teksten van Nietzsche over de retoriek. Deze teksten zijn enkel uitgegeven in de Musarion-Ausgabe.
Ter informatie vermelden we graag dat de vertaling gemakkelijk te vinden is in NIETZSCHE, F., Cours de rhétorique. Vertaald door P. LACOUE-LABARTHE & J.L. NANCY, in Poétique 5(1971), p. 104-130 en in NIETZSCHE, F., Rhetoric. Description of Ancient Rhetoric; Lecture — Summer, 1874. in C. BLAIR, `Nietzsche's Lecture on Rhetoric' in Philosophy and Rhetoric 16(1983), p. 94-129. Deze nochtans interessante vertalingen zijn niet vermeld in de studie van Tebartz.
In haar studie onderzoekt Tebartz tekstgetrouw en in dialoog met een belangrijk gedeelte van de zeer uitvoerige Nietzsche-literatuur de genealogische wortels van de metafysische kennisaanspraken. De waarheid blijkt het resultaat van de taal te zijn. De predikatieve subject-object structuur van de taal waarin de subjectiviteit als werkende oorzaak of zelfbewustzijn wordt geponeerd en de objectiviteit als wereld van objecten, ligt aan de basis van de klassieke metafysische stellingen. Deze deconstructie van het waarheidsbegrip leidt tot de vraag hoe de waarheid kan gedacht worden indien men de genealogische verworteling in de taal ernstig neemt. De retorische metaforiek blijkt immers aan de basis te liggen van de kennis. Dit leidt minstens tot een perspectivistisch waarheidsconcept.
De taal is zowel de mogelijkheid als de begrenzer van de waarheid. De theorie van de metafoor vervult een wezenlijke rol in de theorie van de rationaliteit. In verband met deze laatste vragen duikt de cruciale problematiek op van de referentialiteit van de taal. In de hedendaagse taalfilosofie worden er hier twee tegenstrijdige standpunten ingenomen. Het retorische deconstructiedenken stelt dat de betekenis ontstaat vanuit het verschil tussen de betekenaars.
Het hermeneutische denken daarentegen stelt dat de betekenaar verbonden is met de betekenis. De eerste richting onderzoekt hoe betekenisssen ontstaan vanuit de intertextuele verhoudingen tussen de betekenaars; de tweede richting wat de betekenis is die achter een betekenaar verscholen ligt. Naar ons aanvoelen leunt het deconstructiedenken ook in deze problematiek het dichtst aan bij Nietzsche. De hermeneutiek, en in het bijzonder deze van Ricoeur, neemt Nietzsche ernstig maar overstijgt in een soort dialectische beweging (Ricoeur spreekt in dit verband over een teleologie die na de archeologie komt) de radicaliteit van zijn kritiek. Het merkwaardige en uitermate integrerende aan de studie van Tebartz bestaat erin dat ze vanuit Nietzsches archeologische taalkritiek een esthetische waarheidsopvatting ontwikkelt door de kracht van de metafoor zeer ernstig te nemen en deze precies te begrijpen vanuit Ricoeurs werk La métaphore vive.
Ze definieert de metafoor als semantisch innovatief en tegelijkertijd als referentieel. De wilde metaforische betekeniscreatie wordt hierdoor ingeperkt door de vooraf bestaande relaties met de betekenissen. Zelf vinden we Ricoeurs visie op de metafoor enorm belangrijk. De methodologische vraag die zich echter bij het hier besproken boek stelt, luidt echter of Ricoeurs benadering van de metafoor geschikt is om als leesbril bij de interpretatie van Nietzsches taalfilosofie te functioneren. Wijzelf zouden deze eerder negatief beantwoorden. Tebartz kiest echter duidelijk voor dit uitgangspunt: “Diese kurze Skizze der Zielsetzung der ricoeurschen Metapherntheorie soll deutlich machen, daß es gerechtfertigt ist, die theorieleitende Unterscheidung von semantischer Innovation und metaphorischer Referenz in die nietzschesche Philosophie hineinzutragen.” Met deze kritische bedenking willen we de inzet en de waarde van deze studie beter profileren. Het is een zeer boeiend werk.
|
|
| |
Luc Anckaert |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|