| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Filosofische aspecten van het privé-publiek debat. |
 |
 |
René Foqué en Maurice Weyembergh (red.), |
| |
Brussel, VUB-Press- 1997 |
 |
| |
Het voorliggend boek getuigt van de huidige aandacht voor de politieke filosofie wegens allerlei onzekerheden en problemen waar de politiek vandaag mee te kampen heeft. Een belangrijke vraag is deze naar haar eigen plaats en legitimiteit.
Van de filosofie wordt verwacht dat ze die vragen helpt doordenken om het publieke debat daaromtrent te voeden. Dit boek behandelt in dat licht een verwante problematiek, weliswaar met een eigen invalshoek en benadering.
Filosofische aspecten van het privé-publiek debat is de schriftelijke neerslag van een colloquium op 1 en 2 december 1995, georganiseerd aan de Vrije Universiteit Brussel door het Centrum voor de Studie van de Verlichting en het Vrije Denken, en waarin ook de sectie rechtsfilosofie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Rotterdam participeerde. De opzet is om via de keuze voor een aantal belangrijke auteurs een representatieve en refererende inleiding te bieden tot de problematiek van de verhouding tussen de publieke en de private ruimte.
Twee inleidende hoofdstukken schetsen de historische genese van de themathiek. René Foqué gaat vooral in op de overgang van feodaliteit naar moderniteit, en de centrale positie van Hobbes als initiator van de juridische moderniteit. De autonomie van recht en politiek en de scheiding van het publieke en het private is pas denkbaar tegen de achtergrond van de soevereiniteit als representatie. Door het sociale contract, in de akt van het gezag verlenen, constitueert zich het bereik van de politiek tot een van de private ruimte gescheiden publieke ruimte. Deze is de ruimte van de aanspreekbaarheid van subjecten op basis van het algemeen belang als autonome categorie van het publiekrecht. De grens tussen de private en de publieke ruimte garandeert ons tegelijkertijd de ruimte voor authentieke zelfontplooiing en voor het beleven van onze onvervreemdbare individuele vrijheidsrechten.
Jean-Marc Piret analyseert verder de politiek-liberale visie op deze verhouding die gekenmerkt wordt door een dialectiek tussen de eis van openbaarheid van de politiek en de noodzaak om het publieke te beperken. Vrijheid is volgens hem daarbij het “telos van de rechtsorde, (..) niet alleen in de betekenis van liberale, negatieve vrijheid, maar ook in de zin van een beperkt idee van positieve vrijheid (..). Door instituties wetten en publieke gedragsnormen wordt de vrijheid altijd al voorgestructureerd. Via allerlei kanalen heeft de gemeenschap altijd al preselecties gemaakt.” (p. 51) Een `liberale' of een `communautaire' moraal is dus een vals alternatief.
Na deze inleidende bijdragen wordt er telkens een hoofdstuk aan één denker gewijd. David Janssens behandelt de als conservatief bekend staande filosoof Leo Strauss, bij wie de problematiek van de verhouding tussen religie en politiek centraal staat. Volgens Strauss verhult het wijsgerige en politieke programma van de Verlichting dat de vrijheid van denken wordt afgekocht zonder dat het geschil tussen rede en openbaring ten gronde wordt beslecht. Centraal in het stuk staat Strauss' intrigerende lezing van Plato's filosofie. De abstractie van het private, de stricte parallellie tussen individu en polis waarop de ideale Staat wordt opgetrokken, wordt volgens Strauss door Plato met opzet als een anomalie in de constructie aangebracht om de onmogelijkheid van het filosofische koningschap aan te tonen. De sokratisch-filosofische gemeenschap wordt gerealiseerd binnen de private sfeer die door de hoogste vorm van eros, de wijs-begeerte, wordt afgebakend.
Mireille Hildebrandt bespreekt het begrip publieke ruimte bij Jürgen Habermas. In functie van een meer juridische articulatie van de notie van het algemeen belang in de huidige rechtsorde construeert zij een matrix via de kruising van de normatieve rechtsbegrippen verdelende en ruilrechtvaardigheid, met Habermas' handelingstheoretische concepten strategisch en communicatief handelen.
Dirk Puis heeft het over John Rawls' probleem van de stabiliteit: hoe kan een opvatting van rechtvaardigheid ook een zin voor rechtvaardigheid opwekken? Hij tracht aan te tonen dat Rawls er niet uitgeraakt zolang hij er “niet in slaagt een publieke ruimte te voorzien waar aanvaarding of afwijzing van opvattingen van het goede of uitgebreide doctrines kunnen worden getest aan een confrontatie met de pluraliteit aan uitgebreide doctrines, en waar een opvatting van rechtvaardigheid kan groeien door een langzaam proces van publieke discussie.” (p. 116)
Freddy Dutoit bespreekt de morele inzet van Robert Nozicks humanistisch liberalisme. Daarbij toont hij ook aan dat Nozick er niet in slaagt om op basis van het zelfbeschikkingsrecht de vrije, ongecontroleerde eigendomsverdeling te verantwoorden.
Na deze beide liberale visies wordt door Johan Stuy de visie van Charles Taylor op de publieke sfeer en het communautaire zelf uiteengezet. De democratische besluitvorming binnen de politieke instellingen en de morele discussie binnen de publieke sfeer zijn fundamenteel gescheiden, maar beide doen wel een beroep op eenzelfde notie van sociale identiteit. Mensen begrijpen zichzelf als behorende tot een gemeenschap, en nemen er dus niet alleen in functie van hun eigenbelang aan deel.
Marc Van den Bossche confronteert de ironisch-esthetische levenshouding van Richard Rorty met Gernot Böhmes kritiek van het moderne rationaliseringsproject. Die kritiek heeft gevolgen voor zowel individu als maatschappij, en brengt de muur tussen privaat en publiek aan het wankelen. Zo komt er een `dichotomische blindheid' bij Rorty in beeld. “Ironici zijn vrij om te doen en te laten wat ze willen, zolang ze maar binnen de grenzen van de liberale democratie en de eraan ten grondslag liggende rationaliteit blijven.” (p. 167)
Guido Pennings bespreekt Engelhardts seculier humanisme en diens daarop gebaseerde ultraliberale kijk op gezondheidszorg. Het gaat om een moraal van wederzijds respect die volledig in termen van negatieve rechten wordt geïnterpreteerd. Er is geen enkele verplichting om de andere te helpen bij de realisatie van zijn visie op het goede leven. Er is dus geen recht op gezondheidszorg, en een maatschappelijk systeem van gezondheidszorg kan daarom slechts gebaseerd zijn op liefdadigheid.
Maurice Weyembergh behandelt de poging van Benjamin Barber om een `sterk' democratische middenweg tussen liberalisme en totalitarisme te banen. De strijd tussen privé-belangen wordt erkend, maar politiek is voor Barber “die activiteit die, dank zij de discussie onder potentiële rivalen, publieke, algemene belangen doet ontstaan en van de rivalen burgers maakt.” (p. 197) Mensen behoeven immers ook sociale bindingen met hun medemensen, en zijn voor elkaar dus ook potentiële partners. De publieke ruimte, die de veronderstelling is van de sterke democratie, wordt vandaag bedreigd door het `infotainment', en dient beschermd te worden via een versterking van de civil society.
Jacques De Visscher tenslotte, bereflecteert vanuit het denken van Leszek Kolakowski de verhouding publiek-privaat in cultuurfilosofisch en metafysisch perspectief. Daarin staat de tendens van het moderne rationalisme om het kwaad te verdoezelen centraal. “Het onderscheid tussen goed en kwaad willen reduceren tot een onderscheid tussen wenselijk of onwenselijk, nuttig of schadelijk, rendabel of verspillend, juist of onjuist” heeft onder andere “het opheffen van de onaantastbare waarde van de persoon en zijn uniciteit, waarvan de grondslag niet rationalistisch te verklaren valt, met zich meegebracht.” (p. 219)
De meeste stukken getuigen niet direct van grote originaliteit, maar als een breed opgezette inleiding in het filosofische privé-publiekdebat mag deze bundel best geslaagd genoemd worden.
|
|
| |
Jef Peeters |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|