| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| De burger en zijn Staat. |
 |
 |
Bertrand De Clercq et al., |
| |
Leuven, Davidsfonds- 1998 |
 |
| |
Het voorliggend boek getuigt van de huidige aandacht voor de politieke filosofie wegens allerlei onzekerheden en problemen waar de politiek vandaag mee te kampen heeft. Een belangrijke vraag is deze naar haar eigen plaats en legitimiteit.
Van de filosofie wordt verwacht dat ze die vragen helpt doordenken om het publieke debat daaromtrent te voeden. Dit boek behandelt in dat licht een verwante problematiek, weliswaar met een eigen invalshoek en benadering.
De burger en zijn Staat werd uitgegeven naar aanleiding van het emeritaat van Bertrand De Clercq die sociale filosofie doceerde aan de KU Leuven. Het boek heeft, zoals de titel kan doen vermoeden, de malaise van genoemde verhouding tot uitgangspunt, en vertoont daarin een grote thematische eenheid. De bijdragen gaan nu niet uit van auteurs, maar behandelen verschillende, elkaar aanvullende thema's rondom de gestelde problematiek.
André Van de Putte zet in een stevig stuk het kader van de discussie neer. Hij onderzoekt de grondbetekenissen van burgerschap in politieke zin, van de instellingen van de burgerlijke samenleving en van de politieke vrijheid als `doel' van de burgerlijke associatie. Evenmin zoals dat het geval is met andere doelen die aan de civiele associatie worden toegewezen — zoals veiligheid, vrede, gerechtigheid — gaat het daarbij om een substantieel doel, maar om een specificatie van de idee van civiliteit zelf. Omdat de civiele associatie geen substantiële doeleinden kent, kan ze juist ruimte laten voor de vrije doelassociaties van de burgers. Vervolgens wordt de vraag gesteld naar de interpretatie van de moderne staat. Die blijkt zowel kenmerken van de burgerlijke associatie als van de doelassociatie te vertonen, en die ambiguďteit kenmerkt tevens ons politiek bewustzijn. Volgens Van de Putte behoeft het ideaal van burgerschap evenwel geen absolute scheiding tussen het politieke en het prepolitieke. “Zolang de culturele en de sociaal-economische rol van de Staat een politiek-burgerlijke zin blijft bewaren, kan worden vermeden dat de samenleving verwordt tot een gigantische machine voor de productie/distributie van rijkdom of tot de verstikkende gemeenschappelijkheid van het ene volk.” (p. 31)
Frans De Wachter bespreekt de relatie tussen politiek en het `goede leven', tussen `smalle' en `brede' moraal. Hij herneemt daarbij bondig het liberalisme-communitarismedebat en presenteert vervolgens twee specifieke manieren om de verbinding te leggen zonder in één van beide extreme posities te belanden. Een eerste bestaat in de erkenning dat bepaalde morele principes aangaande het goede leven functioneel zijn voor het instandhouden van een gemeenschap van vrije en gelijke burgers. `Publieke moraliteit' vindt daarbij haar grond in de rechten van de burgers, en betreft dus het rechtsrespect zelf. Ten tweede zijn er probleemvelden waar levensbeschouwelijke elementen uit de aard van het probleem zelf tot het publieke debat behoren. Waar bijvoorbeeld de scheiding ligt tussen de publieke en de private ruimte, is zélf door elementen van brede moraal en door allerlei concepties van het goede leven mee bepaald. En dat geldt ook voor andere probleemvelden. “Precies de grote uitdagingen van onze tijd zijn meer en meer levensbeschouwelijk geladen, omdat zij onze fundamentele attitudes tegenover het leven, tegenover ons eigen mensbeeld, tegenover de man-vrouwverhouding of tegenover de natuur impliceren.” (p. 45) Respect voor het levensbeschouwelijk pluralisme sluit weliswaar uit dat er aangestuurd wordt op het institutionaliseren van het ethos van een bepaalde groep, maar dat doet niets af aan het belang van het publieke morele debat. “Een gemeenschap moet zich rond het goede verenigen, niet door een mysterieuze ethische identiteit op te roepen, maar door de discussie over het goede (..), ook in brede zin, in het publieke debat levendig te houden.” (p. 45) En het publieke beleid dient een sociale context te bevorderen die zo'n debat mogelijk maakt.
Bart Raymaekers heeft het over de veelbesproken `kloof' tussen burger en politiek. Deze kloof lijkt constitutief voor het politieke zelf, en bepaalt het onderscheid tussen private belangen en algemeen belang. De vraag wordt gesteld of dit onderscheid vandaag nog betekenis kan hebben. De scheiding tussen publiek en privaat is onduidelijk geworden door de ontwikkeling van een semi-publieke sfeer op de scheidingslijn zelf. Het gaat om “een sociale sfeer die — gedreven door de kracht van de moderne media — tussen publiek en privaat heeft postgevat en beide traditionele sferen leegzuigt.” (p. 53) Raymaekers gaat dan vooral in op de kwetsbaarheid van de publieke ruimte. De kern van de problematiek heeft volgens hem te maken met een bepaald mensbeeld, het beeld dat wij van onszelf vormen. “Wat op het spel staat, is juist een vrijheid als mogelijkheid om de rijkdom van de menselijke bestaansconditie in al zijn dimensies gestalte te geven. Dat impliceert dat de rijkdom van de menselijke bestaansconditie niet verarmd wordt tot behoeftenbevrediging en ontspanning.” (p. 57)
Kunnen politici zich beroepen op een eigen moraal die zou afwijken van de moraal die in de gewone intermenselijke betrekkingen geldt? Bertrand De Clercq behandelt deze vraag via een confrontatie van Kant met Machiavelli. Het beroep van politicus wordt volgens De Clercq genormeerd door dezelfde ethische basisprincipes die voor alle soorten beroepen en voor alle mensen gelden. Er is geen onoverbrugbare kloof tussen Webers Gesinnungs- en Verantwortungsethik. Het echte probleem zit in de opdracht van een zorgvuldige afweging van het politieke handelen in het licht van de vitale belangen van de gemeenschap. Ook wanneer daar in bijzondere omstandigheden `volmachten' voor nodig zijn, verplicht de ethiek de politicus zich voor het gebruik ervan te verantwoorden. “Het is de ethiek die de burgers hanteren waardoor beslist wordt over de verantwoording die een politicus van het gebruik van de hem verleende macht moet afleggen.” Maar dan mogen de burgerlijke zeden niet in gebreke blijven, zoals bij `vriendjespolitiek'. “Politieke ethiek moet daarom de structuur hebben van een tweeluik. Een onmisbaar complement van de reflectie over de regulering van de macht in handen van politici is die over de ethische principes van het goede burgerschap.” (p. 75)
De twee volgende bijdragen behandelen de problematiek van concrete maatschappelijke doelstellingen, waarbij telkens ook de vraag rijst naar de rechtvaardiging van overheidspaternalisme.
Toon Vandevelde bespreekt het probleem van de werkloosheid vanuit de band tussen arbeid en zelfrealisatie. Zijn argumentatie voor de intrinsieke waarde van de arbeid leidt tot een pleidooi voor een activerend beleid.
Paul Schotsmans behandelt het vraagstuk van een collectieve zorg voor de gezondheid vanuit een personalistisch perspectief. Mijns inziens neemt de auteur daarbij het heersende medische paradigma als te vanzelfsprekend uitgangspunt, waardoor de globale argumentatie zwak blijft.
In de laatste bijdrage tenslotte, beschrijft Patrick Develtere het huidige ontwikkelingsbeid ten opzichte van de landen van het Zuiden. Daarbij wordt de rol van de staat in de ontwikkelingslanden teruggedrongen ten voordele van de civiele maatschappij. Deze benadering heeft evenwel zijn beperkingen, en houdt duidelijk gevaren in. Het stuk is een soort illustratie van het belang van de fundamentele uiteenzettingen in de eerste bijdragen van het boek.
|
|
| |
Jef Peeters |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|