| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Drie godinnen. Mnemosyne, Demeter, Moira (Boom Essay). |
 |
 |
Samuel IJsseling |
| |
Amsterdam, Boom- 1998 |
 |
| |
Het vorige boek van IJsseling, Apollo, Dionysos, Aphrodite en de anderen. Griekse goden in de hedendaagse filosofie, kende grote bijval. In 1997 werd het bekroond met de tweejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap. IJsseling plaatste er verhalen over de Griekse goden naast belangrijke fragmenten uit de hedendaagse wijsbegeerte. Dit mondde uit in een vorm van wijsgerig polytheïsme dat aanleiding was voor veel discussie en verder nadenken. Het Festschrift voor IJsseling, De God van denkers en dichters (1997), vormt hiervan de weerklank. Het essay, Drie godinnen, kan als een vervolg op het vorige boek worden gelezen. Opnieuw vertelt IJsseling drie netwerken van verhalen. Opnieuw worden deze verhalen geplaatst naast wijsgerige inzichten of teksten.
Een eerste fragment handelt over Mnemosyne, de moeder van de muzen. De muzen zouden altijd en overal zelf aanwezig zijn. De mens daarentegen leeft van verhalen over het afwezige verleden, de afwezige toekomst en zelfs over het afwezige heden. De muzen staan met andere woorden voor de volledige aanwezigheid of onverborgenheid. Deze problematiek van aletheia is een van de meest fascinerende in de westerse wijsbegeerte. Heidegger formuleerde dit in termen van `onto-theologie'. Het is de overtuiging dat de gehele werkelijkheid ergens aanwezig zou moeten zijn. Deze aanwezigheid is de kern van de vraag naar het wezen van Mnemosyne. De vraag naar Mnemosyne leidt ook naar een andere vraag: “wat is dat een god?”. Dit is geen theologische vraag. De theologie vraagt naar God als een eigennaam. Hierdoor veronderstelt ze een principieel monotheïsme. IJsseling stelt echter de vraag naar de goden als soortnaam. Dit houdt verband met het inzicht dat de mens niet de oorsprong is van de verhalen die hij vertelt en de woorden die hij spreekt. Een tweede tekst handelt over Demeter en Persephone.
Deze verhalen zijn aanleiding voor beschouwingen over de betekenis van de religie in verhouding tot fundamentele maatschappelijke verschuivingen (de overgang van de chtonische goden naar de olympische goden). Maar het leidt ook tot vragen over de seksuele onderscheidenheid en de plaats van de vrouw in de maatschappijen. Een laatste tekst bespreekt de verhalen van Moira en Tyche. Deze houden verband met het Schicksal of Geschick dat een belangrijke rol speelt in het denken van Heidegger. IJsseling plaatst deze Griekse verhalen echter ook naast de christelijk-theologische problematiek van de predestinatie en de voorzienigheid.
De drie teksten zijn boeiend (fascinerend). Ze verhalen niet alleen over de Grieken maar worden gelezen als een talige ruimte waar binnen de inzet van de westerse wijsbegeerte kan oplichten. Veelvuldig wordt verwezen naar Levinas, maar vooral naar Nietzsche en Heidegger. Het grote inzicht wordt gevormd door het feit dat de taal aan de mens voorafgaat, of de mythe komt voor de logos. Een aantal inzichten van Schelling, die niet wordt geciteerd maar waar IJsseling elders over schreef, zijn hier niet vreemd aan. Ook deze teksten van IJsseling kunnen controverse opwekken. Het zou uitermate boeiend zijn indien iemand de bijbelse verhalen op een gelijkaardige wijze naast het westerse denken zou plaatsen.
|
|
| |
Luc Anckaert |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|