| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Het œuvre van Pierre Bourdieu. |
 |
 |
Jacques TACQ |
| |
Antwerpen/Apeldoorn, Garant- 2003 |
 |
| |
In het voorjaar van 1998 werd aan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam een Pierre Bourdieu Seminar georganiseerd over het œuvre van deze Franse intellectueel, ‘het enfant terrible, de lieveling en ook het geweten van de Franse sociologie’ zoals Oussama Cherribi hem in "Sociologie is een vechtsport" (De Groene Amsterdammer, 2 februari 2002) karakteriseerde.
De lezingencyclus werd georganiseerd door professor Jacques Tacq, decaan van de faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van de KU Brussel, die ook de redactie heeft gevoerd van dit boek. In deze lezingencyclus voor laatstejaarsstudenten en assistenten in opleiding kwamen de belangrijkste krachtlijnen van Bourdieus omvangrijke en sterk gediversifieerde œuvre aan bod. De lezingen zijn nu gebundeld in een handzaam boek dat zich, naar ik vermoed, steeds binnen handbereik zal bevinden van al wie belangstelling heeft voor de ontwikkeling van de sociologie in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Toen de vaandeldrager van de hedendaagse Franse sociologie in januari 2002 op 71-jarige leeftijd in een Parijs ziekenhuis stierf, was dit voorpaginanieuws in alle Franse kranten, net alsof er een belangrijk politicus was overleden. En in feite was dit ook zo. Niet dat Bourdieu een politicus sensu stricto was, maar zijn œuvre had wel een grote weerslag op alle politieke en sociale geledingen van de Franse samenleving, en het liet zijn invloed ook ver buiten Frankrijk gelden.
Pierre Bourdieu werd in 1930 geboren in een verre uithoek van zuidwest-Frankrijk (Denguin, Pyrénées-Atlantiques). Na de middelbare school studeerde hij filosofie, maar — zo schrijft Cherribi — ‘de rauwheid van het werkelijke leven was voor hem een onontbeerlijk medicijn om zijn ideeën in een studeerkamer te kunnen uitwerken’. Zijn verblijf in Algerije, waar hij les gaf aan een lycée en aan de Universiteit van Algiers, vormde hem om tot een sociale wetenschapper.
Zijn eerste boek, gepubliceerd op het hoogtepunt van de onafhankelijkheidsoorlog in Algerije en in het jaar waarin de Vierde Franse Republiek ten val kwam, was Sociologie de l’Algérie (PUF, 1958). Vanaf het midden van de jaren zestig produceerde hij een reeks studies over de Franse samenleving, die vanaf het begin werden gekenmerkt door een opmerkelijke combinatie van empirisch onderzoek en theoretische ambitie.
Telkens was het Leitmotiv in zijn werken de sociale ongelijkheid. Zijn geschriften kunnen worden gelezen als één enkel, vrijwel ononderbroken onderzoek naar de uiteenlopende vormen en mechanismen van sociale ongelijkheid in de moderne kapitalistische maatschappij. Om de mechanismen van de sociale ongelijkheid te beschrijven, gebruikt hij grensdoorbrekende concepten zoals espace social, champ en habitus — deze begrippen worden in het boek over Bourdieus œuvre zeer bevattelijk toegelicht door Anton Wesselingh.
Nog vóór de studentenrevolte van mei 1968 focuste de Franse socioloog op de problemen in het onderwijs (Les Étudiants et leurs études, 1964, met J.-C. Passeron en M. Eliard, en Les Héritiers: Les étudiants et la culture, 1966, met J.-C. Passeron). Later diepte hij zijn kritiek op het (Franse) onderwijs nog verder uit naar het systeem (La Reproduction: Éléments pour une théorie du système d’enseignement, 1970, met J.-C. Passeron), het professoraat (Homo Academicus, 1984) en het onderwijs als instrument voor de verwerving van dominantie op economisch en politiek gebied (La Noblesse d’État: Grandes écoles et esprit de corps, 1989).
Naast de teksten over het onderwijs ontwikkelde Bourdieu in een aantal monografieën een gelijklopende theorie over wat hij ‘het culturele veld’ noemde. Daarin behandelde hij, als auteur of coauteur, de fotografie als ‘halve’ kunst die zit ingeklemd tussen ‘echte’ kunst zoals schilderkunst, literatuur en klassieke muziek (Un art moyen: Essai sur les usages sociaux de la photographie, 1965), musea als behoeders van de smaak van de dominante groep in de maatschappij (L’amour de l’art : Les musées d’art et leur public, 1966), het culturele kapitaal, de leefstijl en de ‘goede’ smaak, waardoor de dominante groep in de maatschappij de sociale ongelijkheid in stand houdt (La Distinction: Critique sociale du jugement, 1979 — Bourdieus belangrijkste werk), en het ontstaan, met Flaubert, van een nieuw concept van literatuur in de negentiende eeuw (Les règles de l’art: Genèse et structure du champ littéraire, 1992).
Alleen al op grond van bovengenoemde krachtlijnen zouden de geschriften van Pierre Bourdieu als œuvre kunnen worden bestempeld. Hij bouwde niet alleen voort op het werk van de klassieke grondleggers van de sociologie: Durkheim, Marx en Weber, maar hij verlegde voortdurend de grenzen van de sociologie. Zijn productiviteit was enorm. Geen enkele menselijke activiteit ontsnapte aan zijn aandacht: onderwijs, cultuur, taal, migranten, de mannelijke dominantie, economie, vrijhandel, politiek…
Het politieke veld hield hem in zijn laatste jaren het sterkste bezig. Bourdieu is altijd een linkse intellectueel geweest die zich evenwel niet kon vinden in het socialistische bewind van François Mitterrand. Zijn geschriften werden, vooral in de jaren negentig, steeds radicaler van toon omdat hij zich niet kon verzoenen met de consequenties, op menselijk vlak, van het neoliberale regime dat door het Franse socialisme was ingesteld. In 1993 verscheen, onder zijn redactie, La misère du monde, een scherpe aanklacht, in de vorm van een groot aantal interviewtranscripties, observaties en toelichtingen op interviewfragmenten, waarin een poging wordt ondernomen om de hedendaagse vormen van ‘alledaags lijden’ in kaart te brengen. Verder was hij ook voorstander van een Europese sociale beweging en hekelde hij scherp wat hij de corruptie van de Franse media en het conformisme van de Franse intelligentsia noemde. Hetgeen hem overigens tal van vijanden opleverde.
In Het œuvre van Pierre Bourdieu worden na de uitstekende inleiding van Jacques Tacq al die aspecten van Bourdieus werk nader toegelicht, van zijn etnologisch veldwerk in Algerije tot het sociaal lijden in de hedendaagse samenleving. Rik Pinxten, Anton Wesselingh, Mart-Jan de Jong, Freddy Mortier, Rudi Laermans en Godfried Engbersen zijn erin geslaagd in het korte bestek dat hun werd toegemeten, een vrij volledig overzicht te geven van het œuvre van deze intellectuele duizendpoot.
Bovendien doen ze dat op zo’n bevattelijke wijze dat de lezer snel geneigd is om het werk van Bourdieu zelf te gaan lezen, maar men weze gewaarschuwd: de bijzonder lange en complexe volzinnen van Bourdieu plaatsen het begripsvermogen van de lezer voor een uithoudingskoers, zoals de vertalers (onder wie Freddy Mortier en Jacques Tacq) schrijven in een noot die voorafgaat aan de Nederlandse vertaling van Homo Academicus (Acco, 2002).
Eén opmerking moet me nog van het hart. De lezingencyclus werd in 1998 georganiseerd. De teksten worden vijf jaar later gepubliceerd. In de tussenperiode is Pierre Bourdieu overleden en is zijn œuvre derhalve afgerond. Nergens in het boek, ook niet in de inleiding, is vermeld dat de Franse socioloog gestorven is. Ik vind het jammer dat men niet de moeite heeft genomen om ten minste in de inleiding daarop te wijzen. Dit staat in sterk contrast tot wat Richard Jenkins presteerde in zijn boek Pierre Bourdieu, gepubliceerd in de Routledge-reeks ‘Key Sociologists’.
Jenkins bracht na de dood van Bourdieu in 2002 meteen een herziene uitgave op de markt met een nieuw voorwoord van 14 bladzijden, waarin hij de Franse socioloog en zijn werk duidt en dat opent met de zin : ‘On the evening of January 23rd, 2002, Pierre Bourdieu, Professor of Sociology at the Collège de France, died of cancer, aged 71, in a Paris hospital.’ Inmiddels zijn we december 2003, bijna twee jaar na het overlijden van Bourdieu en het (overigens zeer lezenswaardige) essay van Rudi Laermans over de noodzakelijke illusie van de kunst eindigt met de volgende alinea (blz. 128) : ‘Waarom poneert Bourdieu deze overigens ternauwernood beargumenteerde stelling pas op de valreep? Deze vraag heeft mij al lang bezig gehouden, niet in het minst omdat ze betrekking heeft op een kwestie die beslissend is voor elke discussie over de waarde van Bourdieus kunstsociologie voor een analyse van de hedendaagse kunst. Misschien thematiseert de veelschrijver Bourdieu ze alsnog in een volgend boek?’ Dit had kunnen worden vermeden.
|
|
| |
Luc Aerts |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|