| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Mijn plaats is geen plaats. Ontmoetingen tussen wereldbeschouwingen. |
 |
 |
Ilse BULHOF |
| |
Met een ten geleide van Herman Wijffels en een inleiding van Jan Bor.
Kampen/Kapellen, Klement/Pelckmans- 2003 |
 |
| |
Dit boek bundelt de opvattingen, de reflecties en de verhalen van dertien vrouwen en mannen die diepgaande ontmoetingen hebben beleefd met andere culturen, levensbeschouwingen en religies. Onder de koepel van de Nederlandse organisatie Stichting Filosofie Oost-West hebben een aantal van hen op initiatief van dit instituut in de loop van 2002 een voordracht gehouden, die dan als basis heeft gediend voor hun bijdragen. De auteurs die geen voordracht hielden, waren bereid om vanuit hun persoonlijke ervaring een artikel voor deze bundel te leveren.
Vormelijk valt op het boek weinig aan te merken. Het is mooi uitgegeven, overzichtelijk gestructureerd en heeft een frisse thematische inleiding. Bovendien worden de bijdragen nog eens afzonderlijk door de redacteurs aantrekkelijk ingeleid, zodat de lezer zin krijgt om alle artikels te lezen. Het boek wordt afgesloten met een summiere uitleg bij de illustraties waarmee elke bijdrage aanvangt, met een beknopte lijst ‘personalia’ en zelfs met een namenregister.
Ook inhoudelijk vertoont het boek een grote mate van consistentie. In alle bijdragen is ruimte voor de persoonlijke ervaringen van de auteurs – vast en zeker een meerwaarde van de bundel. Anderzijds komen tegelijkertijd, en dikwijls precies aan de hand van deze persoonlijke ervaringen, interessante en uitdagende theoretische bespiegelingen aan de orde. Het is evenwel onmogelijk om ze in dit bestek afzonderlijk te overlopen, laat staan van kritische commentaar te voorzien. Daarom beperk ik mij tot een aantal saillante overeenkomsten tussen de verschillende auteurs, en ik hoop daarmee recht te doen aan het onderliggende programma van Mijn plaats is geen plaats.
Bij alle auteurs valt een kritische houding op ten aanzien van behoudsgezinde en zelfbetrokken tendensen in het actuele denken en in huidige maatschappelijke evoluties. Ze verzetten zich tegen een culturele bekrompenheid die er niet in slaagt om verder dan de eigen horizont te kijken. Ze delen een haast onwankelbaar en diep existentieel doorleefd geloof in de verrijking door duurzaam contact met andere culturen en religies dan de westerse. In het boek wordt aandacht besteed aan tradities uit het Verre Oosten (van Leeuwen, Steenbrink, Brinkman, van Waning, Bulhof, Libbrecht), India (Callewaert), het Nabije Oosten (van Bommel) en Afrika (Kimmerle, van Binsbergen). Op die wijze reflecteert het een brede mondiale kijk op de wereld vanuit het seculiere, op en top westerse Nederland. Misschien is het niet toevallig dat een enigszins andere teneur, maar ten aanzien van het klassieke westerse denken op de keper beschouwd een even kritische, wordt waargenomen in het relaas van auteurs die de discussie aangaan met het jodendom, hetzij als rabbijn die het christendom in Nederland ontmoet (Marx), hetzij als katholiek die intensief het jodendom bestudeert (Poorthuis).
Het traditionele westerse denken over andere culturen wordt op de korrel genomen om zijn ontoelaatbare geslotenheid jegens de/het A/andere, een imperialistische mentaliteit, spirituele armoede en het rabiate onvermogen om zich bewust te worden van zijn eigen presupposities. Om die redenen is een échte ontmoeting met de culturele A/ander niet alleen een langverwachte bevrijding en een deugddoende ervaring, maar evenzeer een bittere noodzaak. Wie de mondiale toekomst werkelijk open tegemoet wil treden, moet onvoorwaardelijk afstappen van zijn eigen culturele en religieuze geborneerdheid.
Van deze grondgedachte getuigen niet alleen de pleidooien die van de meeste bijdragen uitgaan, maar ook de excellent gekozen titel van het boek: Mijn plaats is geen plaats. Deze zinsnede is een citaat uit een gedicht van de soefi-wijze Rumi, die daarin uiting geeft aan een diepe gedachte die te omschrijven valt als ‘verbondenheid los van alle gebondenheid’. De metafoor van de niet-lokale ruimte als meest gepaste weg tot waarlijk interculturele en interreligieuze ontmoetingen loopt als een rode draad door de bundel. In een aantal artikels wordt deze zinsnede zelfs letterlijk herhaald en becommentarieerd. Op die manier wordt een gezamenlijke overtuiging wereldkundig gemaakt, namelijk dat een essentiële voorwaarde voor diepgravende ontmoetingen en authentieke dialogen met de/het A/andere bestaat in het afleggen van de eigen vooroordelen en het toetreden tot een gemeenschap van hen die daarin reeds geslaagd zijn. En dat vereist een loutering van de ziel.
Ten aanzien van deze ongetwijfeld diepzinnige en zinvolle idee kunnen niettemin kritische vragen worden geopperd. Zo is het allerminst evident dat elk individu in onze samenleving ooit zo diepgaand in contact zal (kunnen) komen als de auteurs van dit boek hebben mogen beleven. Het langzame ontwikkelingsproces waarin zij zelf tot hun rijpe inzichten gekomen zijn, kan daarom niet tot norm of ideaal worden verheven. Want dan zou zich onvermijdelijk een nieuw soort van blind elitarisme installeren, waarvan de (geestelijk of spiritueel) armsten de evidente slachtoffers zijn. Over deze vorm van standpuntelijk spreken van hoog opgeleide westerse intellectuelen, die stuk voor stuk de kansen, de tijd en de financiële mogelijkheden gekregen hebben om zich aan de ongetwijfeld rijke culturele en religieuze bronnen van deze wereld te laven, is in Mijn plaats is geen plaats weinig zelfkritisch bewustzijn te merken.
Bovendien is het lang niet zeker dat, naast de beslist in twijfel te trekken haalbaarheid van het ideaal van ‘verbondenheid los van alle gebondenheid’, dit ideaal ook wenselijk is. In het boek wordt gesuggereerd dat men nu eenmaal aan den lijve moet ervaren (hebben) wat het betekent dat de eigen cultureel-religieuze banden worden losgelaten om zo de verrijking door de A/ander existentieel te beleven. Want tenslotte zijn er geen woorden die op discursieve manier recht kunnen doen aan de inhoud en de intrinsieke waarde van die ontmoetingen. De vraag dringt zich dan op of aan de ervaringen van mensen die niet willen en/of niet kunnen afstand doen van hun gebondenheid, dan iets schort, en of ze het misschien niet bij het ‘rechte eind’ hebben. Zonder twijfel in weerwil van hun bedoelingen riskeren de auteurs door hun transculturalistische aspiraties een nieuwe vorm van verdrukkende orthodoxie te poneren, die de vrijheid van het niet-kunnen of niet-willen in contact treden met de A/ander bedreigt.
Ik wil deze kritische bemerkingen beslist niet opwerpen als een radicale of totale verwerping van deze bundel of van het meer omvattende project waaraan de Stichting Filosofie Oost-West vorm geeft. Integendeel, ik deel de oprechte bekommernis om meer kennis van en authentieke ontmoetingen met alle culturen en religies van deze wereld, om een waarlijk open basishouding van alle (groepen) mensen, en om universele tolerantie en respect. Maar het is mijn plicht als recensent om, vanuit mijn plaats die geen plaats is, in alle bescheidenheid en beperktheid, de mogelijke tekortkomingen van een enkele publicatie aan te stippen. Ook daarmee geef ik gehoor aan de diepe wens tot ontmoeting met het/de a/Andere.
|
|
| |
Joris Geldhof |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|