| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Sterfwerk. De dramaturgie van zelfdoding in eigen kring. |
 |
 |
B.E. CHABOT, |
| |
SUN, Nijmegen- 2001 |
 |
| |
Sinds de wet van 28 mei 2002 is de problematiek van euthanasie en hulp bij zelfdoding in ons land voortdurend aan de orde geweest. Tegenstanders van euthanasie hebben deze wet streng bekritiseerd als een achteruitgang in de beschaving. Voorstanders stellen echter vragen bij een aantal ernstige lacunes in de wet. Zij wijzen erop dat euthanasie nu alleen mogelijk is bij wilsbekwame en bewuste patiënten of personen die een geldige wilsbeschikking hebben en onomkeerbaar onbewust zijn. Over kinderen en dementerenden wordt bijgevolg niet gesproken.
Bovendien regelt de nieuwe wet alleen euthanasie in strikte zin en komen andere medische beslissingen bij het levenseinde niet aan bod, zoals het staken of niet opstarten van een medisch-zinloze behandeling en de zogenaamde ‘hulp bij zelfdoding’. Nochtans zal zeker deze laatste beslissing binnen afzienbare tijd het onderwerp zijn van een parlementair debat.
In Sterfwerk. De dramaturgie van zelfdoding in eigen kring confronteert de Nederlandse ouderenpsychiater B.E. Chabot de lezer met een kleine groep mensen die de regie van het levenseinde in eigen handen willen houden en hun zelfdoding in kleine kring ensceneren. In tegenstelling tot het in Durkheims beroemde studie Le suicide (1897) vastgestelde verband tussen zelfdoding en anomie, waarbij het individu ieder betekenisvol verband met zijn sociale wereld verliest, gaat het in dit boek om wat men ‘nomische’ zelfdoding zou kunnen noemen: de personen die hier ter sprake komen hebben bijna allemaal een sterke band met hun naaste omgeving. Zij wilden of konden zichzelf niet op impulsieve wijze doden, maar vonden evenmin een arts bereid hen te euthanaseren of rechtstreeks te helpen bij de zelfdoding.
Met opzet wenst Chabot geen ethisch-normatief kader te geven waarmee men het ethisch gehalte van deze vorm van zelfdoding geval voor geval zou kunnen beoordelen. Zijn studie is enkel een medisch-sociologische terreinverkenning met als doel een aantal aspecten ervan in kaart te brengen en vanuit sociologisch perspectief te ordenen. Chabot maakt daarbij gebruik van het perspectief van de socioloog Goffman die het dagelijkse leven benadert als ging het om een toneelstuk met een protagonist, antagonist, een aantal omstanders en een mise-en-scène. De term ‘dramaturgie’ die daarbij gebruikt wordt, verwijst naar de regelmatigheden, interactiepatronen of sociale configuraties van de tragedie die opgevoerd wordt.
Het doel is hierbij een antwoord te vinden op de vraag ‘via welke verwikkelingen realiseren mensen die dood willen op een in hun eigen ogen humane wijze, hun dood, zonder dat een arts de volledige verantwoordelijkheid op zich neemt?’. Nooit eerder gebeurde een dergelijk onderzoek. In het totaal heeft Chabot daarvoor twintig gevallen van deze vorm van zelfdoding bestudeerd, waarvan er twaalf in het boek uitvoerig beschreven worden. De lezer dient daarbij rekening te houden met de Nederlandse situatie waarbij tot voor kort euthanasie en hulp bij zelfdoding nog steeds in de strafwet stonden, maar waar men niet tot gerechtelijke vervolging overging, indien een aantal zorgvuldigheidscriteria gerespecteerd werden.
Hoewel de sociologische studie eerder afstandelijk is, wordt men als lezer toch door een aantal zaken gegrepen. Op de eerste plaats door de gevalsbeschrijvingen. Hoewel het niet om gruwelverhalen van onnoemelijk lijden gaat, kan men moeilijk anders dan onder de indruk komen van het bijzonder persoonlijk karakter van elke vorm van lijden. Chabot laat het subjectieve van elke lijdenservaring bijzonder goed tot zijn recht komen. Precies daardoor kan een patiënt, wanneer hij het nu wel voor bekeken houdt, zelden op een consensus in zijn naaste omgeving rekenen. Wat zeker ook in het oog springt is de enorme macht van de medische professie.
In zijn onderzoek betrekt Chabot het feit dat bij alle vragen om hulp bij zelfdoding één derde ingewilligd, één derde geweigerd wordt en één derde ‘van gedachten verandert’. Dat geeft het hele gebeuren het karakter van een examen, waarbij men een grote kans heeft om te zakken. De auteur beschrijft hoe de aanvrager zich hoort te gedragen om meer kans te maken dat aan zijn verzoek voldaan wordt. Op de derde plaats wordt de lezer getroffen door de wijze waarop het gedrag en de reacties van derden beschreven worden. Het gaat om familieleden die de zelfdoding soms maar moeilijk kunnen aanvaarden, adviseurs die mensen bijstaan op hun weg naar een zelfgekozen ‘waardige’ dood, huisartsen die al dan niet begrip hebben voor de patiënt, maar in elk geval niet wilden overgaan tot euthanasie of daadwerkelijke hulp bij zelfdoding en eventueel ook politiemensen, die zich meestal bijzonder correct en voorkomend gedragen.
Hoewel men de resultaten van deze studie van twintig gevallen niet zonder meer kan extrapoleren naar grote groepen, is Chabots studie waardevol omdat hij als eerste een fenomeen beschrijft dat tot nog toe aan ieders blik ontsnapte. Daarbij is de sociologische benaderingswijze erg waardevol. De ethische reflectie rond zelfdoding en hulp bij zelfdoding door een arts, kan van dit werk dankbaar gebruik maken om de vraag naar zelfdoding en de rol van iedere betrokkene beter te begrijpen. |
|
| |
Stef Leemen |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|