| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Enkel de daad. |
 |
 |
Marijke LIBERT |
| |
Amsterdam, Cossee- 2003 |
 |
| |
Marijke Libert, journaliste bij De Morgen, heeft haar tweede roman gepubliceerd. Na Sterk water in 2001, stelt ook deze nieuwe roman "Enkel de daad" de lezer voor de opgave om verschillende lijnen in het boek zelf met elkaar te verbinden.
Ten eerste is er het verhaal van de jongen die eindelijk tot daden komt als hij zijn engagement met de zaak van het natuurlijk milieu vorm geeft in de bescherming van een bedreigde boom.
Ten tweede is er het verhaal van de markies op wiens domein die boom staat, en die zich ontwikkelt van een vreemde, tot uiteindelijk een zeer nabije en verwante persoon. Hij blijkt niet alleen uit een familie van doeners te komen, zoals hij zelf opmerkt, maar ook een daad te hebben gesteld die hem aan de jongen bindt.
Daar doorheen speelt nog een derde verhaal over een vrouw die verbrandt in het huis van de markies, en van wie we dagboekfragmenten krijgen voorgesteld, waarin overigens soms weer de suggestie gewekt wordt dat ze niet van een vrouw maar van een man zijn. Nogal verwarrend dus!
De lezer voelt enerzijds de behoefte het boek een tweede keer te lezen om opheldering te zoeken in de verwarring, maar anderzijds belooft het boek toch te weinig om ook werkelijk tot een tweede lectuur aan te zetten.
Met enige goede wil kan men het boek een ‘Bildungsroman’ noemen: de jongen die de hoofdpersoon is, wordt zichzelf door actief te worden in het milieu-activisme; hij maakt zich zelfstandig door een daad te stellen tegenover zijn ouders, en vooral: hij ontdekt daarin zichzelf en zijn wortels. Het is de – overigens wat dwaze – daad die hem zijn identiteit geeft; of met de woorden van Frank Zappa die hij ergens citeert: ‘It’s do or die’.
Als er iets boeit aan het boek is het echter niet het verhaal, maar de stijl, die het best is in passages die de relatie tussen ouders en kinderen betreffen. De zachte, melodieuze stijl, nogal contrasterend met de ideologie van de daad en het activisme die meer of minder ironisch het boek doortrekt, is vaak bijzonder mooi.
Ik citeer tot slot een passage over een overleden vader als voorbeeld: ‘Intussen merk ik dat de lijnen die hij op mij getekend heeft, zichzelf gingen uitvergroten. Ik loens meer dan ooit als ik in de spiegel kijk. Zijn linkeroog was net als het mijne groter. Ik word dezelfde vleesgeworden stilte aan tafel, ken alle antwoorden van de quizvragen op tv. Net als hij knipper ik met de vingers van mijn rechterhand als ik buiten naar de bomen staar, om ze tot groeien aan te porren. Net als hij pits ik ter hoogte van de navel tussen huidlijnen en buiklagen die terugkerende cycloop van een mee-eter uit. Het klinkt vreemd, Elise, maar mijn vader is weg met iets van mij en tegelijk definitief in mij neergestreken.’ (p. 160)
|
|
| |
Paul Van Tongeren |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|