22-07-2013
Ethische Perspectieven
  www.ethics.be
Over ons ....
Contacteer ons ...
Over deze website...
 Ethische Perspectieven, het driemaandelijks tijdschrift van het Overlegcentrum voor Ethiek
 
  Startpagina
  Redactieraad
  Abonnementen
  Alle uitgaven
  Redactionele richtlijnen
 

 
Ethics.be
 
Selectie beschikbare artikelen
 Bespreking van Herman De Dijn: «Religie in de 21ste eeuw. Kleine handleiding voor voor- en tegenstanders.»
Paul Moyaert (2007)
 De Multatuli-lezing 1999 : Macht en onmacht van multilaterale organisaties. Prijs Professor Raymond Derine
Bart Pattyn (1999)
 De koppeling van levensbeschouwing aan onderwijs
Bart Pattyn (2003)
 De opmars van het concept duurzaamheid Een historische en theologische analyse
Johannes van de Ven (2003)
 Voorwoord
Jelle Zeedijk (2012)
 Multatuli-lezing 1999: Hoe bouwen we de internationale gemeenschap het best uit?
(1999)
 Mededelingen van de centra voor ethiek, Vredesdag KU Leuven
Centrum voor Vredesethiek (2007)
 
Ethische Perspectieven
Van oppositie tot elite. Over macht, visie en leiding.
Wilfried DEWACHTER
  Leuven/Leusden, Acco-  2003
  Wanneer een hoogleraar zijn emeritaat bereikt, verschijnt er traditioneel een Liber amicorum met – meestal korte – bijdragen waarmee de auteurs de betrokkene willen huldigen. Doorgaans beantwoorden deze bijdragen ‘aan een thematische opzet die recht doet aan een belangrijke onderzoeksinteresse van de gehuldigde’ (Marc van Vaeck in De steen van Alciato). Dat is de gebruikelijke formule. Origineler is wat Emmanuel Gerard en Bart Maddens deden naar aanleiding van het emeritaat van professor Wilfried Dewachter (°1938 – K.U.Leuven) in november 2003. Uit het grote aantal publicaties van de Leuvense politoloog werden de belangrijkste stukken ‘bijeengelezen’ – soms verschenen ze in minder toegankelijke tijdschriften – en in een boek gebundeld, waar nodig door professor Dewachter aangevuld of geactualiseerd. Als het ware ‘een bloemlezing uit veertig jaar onderzoek en publicaties’ zoals hijzelf in de inleiding schrijft. Het resultaat is een verbluffend coherent gedachtegoed voor wat de Belgische situatie betreft.

Het boek is opgebouwd rond één centraal thema: de macht. Niet de macht van het individu zoals Macchiavelli die beschreef in zijn handleiding Il Principe, maar de macht (of onmacht) van maatschappelijke groepen, waarbij de studie werd afgebakend in tijd (breed bemeten de twintigste eeuw) en ruimte (België). Wie heeft er in België de touwtjes in handen? Hoe wordt de macht door die elite in stand gehouden? Hoe komen politieke beslissingen in België tot stand? Wat is de dynamiek van de oppositie? Wat is de rol van de media in de opinievorming? Hoe zit het met de perceptiviteit van de politici bij de burger? Cruciale vragen die ook voor de niet-politicus van belang zijn.

Professor Dewachter stelt duidelijk dat het boek geen handboek Politieke sociologie is, omdat dit een andere aanpak vereist. ‘Dit boek,’ schrijft hij, ‘verzamelt de voor-naamste onderzoeksresultaten en analyses uit het spanningsveld tussen oppositie en elite. Dat is dan fundamentele politologie. Maar dit boek gaat ook in op de staatkunde en de political engineering. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de politologie naast het fundamentele onderzoek ook de maatschappelijke opdracht heeft om voorstellen ter verbetering van het politieke functioneren uit te werken.’ (blz. 19/20). Daarmee is de toon gezet.

Het boek vertrekt meteen vanuit de machtsvelden – een term van Bourdieu uit de sociologie –’elite/oppositie’. In het polyarchische model (het woord polyarchie is de rode draad doorheen het hele boek) neemt het parlement een bijzondere plaats in. Het parlement heeft zich in België, parallel aan de ontwikkelingslijn van de parlementen in het Westen, in de loop der tijden ontwikkeld van oppositie (tegen het vorstelijk absolutisme) over hoogste gezag tot zwakke medespeler. Op grond van wetenschappelijk goed onderbouwde argumenten wordt aangetoond dat men thans ver verwijderd is van het parlement dat de baas is over de regering, de baas is in het land.

De functies van het parlement zijn volgens de auteur door allerlei maatregelen geërodeerd. Zo draagt bijvoorbeeld de tijdelijke plaatsvervanging van ministers in het Belgisch parlement door opvolgers modaal niet bij tot een versterking van het parlement (p. 47).

Maar er zijn ook structurele belagers van het parlement: de bijzondere meerderheden, het tweekamerstelsel, de adviesraden (die verhullend kunnen werken) en de vorming van de regering (een elitair en geen democratisch gebeuren volgens de auteur). Dewachter herneemt hier in verband met de rechtstreekse verkiezing van de regering zijn ideeën uit 1988, die door de politici destijds trouwens niet in dank werden afgenomen. Een rechtstreekse verkiezing van de regering zal volgens de auteur de regeringsdynamiek versterken, want moet de regering niet de motor zijn van de beleidsvoering? En bij een rechtstreekse verkiezing wordt door de bevolking een duidelijke keuze gemaakt. Bovendien komt er een andere regeringsorganisatie omdat er geen stoelendansen meer mogelijk zijn, zoals bij de verkiezingen in mei 2003 bijvoorbeeld nog het geval was. Meer nog: is de rechtstreekse verkiezing niet de ultieme sanctioneringmogelijkheid? En de Belgen zijn volgens Dewachter bekwaam genoeg om hun regering rechtstreeks te verkiezen.

Vervolgens komen de verkiezingen aan bod. Hoe deze te organiseren? Dewachter gaat uit van de stelling dat de verkiezingen reeds voor de helft beslist zijn vóór de verkiezing, ook nu nog, ondanks de stijging van de voorkeurstemmen. De reden daarvoor is dat men nog steeds met ‘een nuttige volgorde’ op de partijlijsten werkt en het systeem van de opvolgers ook de rechtstreekse democratie belemmert. Wil men dit doorbreken, dan moeten volgens de auteur ingrijpende wijzigingen in de kieswet worden aangebracht.

Het hoofdstuk over politieke cultuur handelt over informatie als doorslaggevende factor in de maatschappij en de politiek. Informatie heeft een aantal sociologische functies: een uitbreidingsfunctie (informatie is meer dan het actuele en aanwezige gemeenschappelijke gebeuren), een doelrichtende functie bij de besluitvorming (meer en fijnmaziger informatie verhoogt de kans op adequatere besluitvorming) en een machtsfunctie (kennis is macht). Dat informatie misbruikt kan worden, is evident: manipulatie van het nieuws (de spin-doctors), desinformatie en propaganda zijn schering en inslag. Hoewel, besluit Dewachter uit zijn onderzoek, ‘propaganda is zoals publiciteit, uiteraard al weinig doeltreffend’ (p.. 196). De remedie hiertegen is, de burgers in wording in het onderwijs een stevige politieke vorming te geven.

In de tekst over elite en oppositie wordt onder meer gezocht naar een verklaring waarom elite statisch is en oppositie dynamisch. De elite (de haves) tracht haar macht te consolideren en staat haar machtsposities niet goedschiks af. De oppositie (de have-nots) tracht ze te verwerven door actie te voeren uitgaande van drie machtsplatformen: publieke opinie, actiegroeperingen en instellingen. Geweld is een mogelijk vierde platform, maar dan wordt er gesproken over terrorisme, revolte, staatsgreep, revolutie. De verwerving van de machtsposities gaat geleidelijk, in een aantal etappes die door de auteur goed worden uitgetekend: parlement, regering, centrale administratie, leger, diplomatie, bedrijfsleven. Daarbij gaat hij op zoek naar een aantal verklarende factoren zoals daar zijn de economische ontwikkeling, het aanbod van de elite via socialisatie (vooral opleiding) en de dynamiek van de sociale beweging. Het sterk geactualiseerde hoofdstuk over de politieke partijen, het nieuwe hoofdstuk over de verankering van de particratie en het hoofdstuk over de politieke besluitvorming zijn interessante denkoefeningen die ik de lezer liever zelf wil laten ontdekken.

Het boek besluit, ietwat verrassend, met een zeer persoonlijke noot: een niet eerder gepubliceerde toespraak, daterend van 6 december 2001, over de invoering van de Bologna-verklaring in de menswetenschappen, en een tekst uit 2002 over de dringende prioriteiten voor een Vlaamse overheid. Beide stukken lijken mij anti-Europees.

Het is duidelijk dat Dewachter niet erg oploopt met het huidige concept van de Europese Unie. Op het gebied van het onderwijs kraakt hij de Bologna-verklaring onder meer omdat zij een nivellering naar beneden zou inhouden (het argument van de door alle aan de Erasmus-uitwisseling deelnemende universiteiten gehanteerde omzettingstabellen om de niveauverschillen weg te werken) en omdat bovendien de humane wetenschappen nog sterker in de verdrukking zouden komen ten opzichte van de ‘elite’-richtingen geneeskunde en burgerlijk ingenieur.

Anderzijds stelt hij in ‘Vlaanderen hoogdringend Europese lidstaat’ dat Vlaanderen zich uitsluitend als onafhankelijke staat binnen de Europese Unie ten volle kan ontplooien omdat het besluitvormingsgewicht van Vlaanderen als lidstaat een enorme sprong voorwaarts zou maken (ik citeer): ‘vast lidmaatschap van de Raden, een eigen commissaris in de Commissie, lidmaatschap van de Raad van Staatshoofden en Regeringsleiders, periodisch lid van de troïka en meer nog periodisch het voorzitterschap, een permanente eigen ambassadeur en dus lidmaatschap van het COREPER, het Vlaams Parlement dat als ‘nationaal parlement bijdraagt tot de legitimering van het Europees project’ (Verklaring van Laken), in afwachting misschien van – of bijkomend bij – een eigen vertegenwoordiging in de Europese Senaat, enzovoort’ (blz. 319).

Met als ondertoon dat Vlaanderen momenteel geen gewicht heeft in de Europese schaal. Als we de voordelen die de aanwezigheid van een onafhankelijke Vlaamse staat binnen de EU nader bekijken, rijzen er toch wel wat vraagtekens. Neem nu het lidmaatschap van de Raad.

In het Ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa dat op 20 juni 2003 in Thessaloniki aan de Europese Raad is voorgelegd, krijgt België bij de stemmenweging in het kader van de Europese Raad en de Raad van Ministers 12 stemmen toegewezen. Estland 4, Letland 4, Luxemburg 4, Slovenië 4, Litouwen 7, Ierland 7, Slowakije 7, Finland 7, Denemarken 7. Wat wordt het aantal van een onafhankelijke staat Vlaanderen en derhalve het besluitvormingsgewicht van Vlaanderen in de EU? Een eigen commissaris in de Commissie. Afgezien van het feit dat er voor België al Vlamingen in de Commissie hebben gezeteld, onder meer Karel Van Miert, staat het helemaal niet vast dat na de toetreding van de nieuwe lidstaten en de goedkeuring van de ontwerpgrondwet elke lidstaat nog een vertegenwoordiger in de Commissie zal hebben.

Periodisch lid van de trojka en periodisch het voorzitterschap. In het oude systeem – met 26 lidstaten als men België uitsplitst in een staat Vlaanderen en een staat Wallonië, we laten Brussel even buiten beschouwing – zou dat betekenen dat Vlaanderen 1 keer op 13 jaar voor een half jaar het voorzitterschap zou bekleden. De enige winst (?) die overblijft zou dan liggen in rechtstreekse vertegenwoordiging in de Raad van Staatshoofden en Regeringsleiders, een eigen ambassadeur, het lidmaatschap van COREPER, eigen vertegenwoordiging in de Europese Senaat. Nader bekeken, eigenlijk alleen een winst op het gebied van rechtstreekse informatie, niet van besluitvormingsgewicht.

Een ander heikel punt: het gebruik van het Nederlands in de EU. ‘En voor degenen die nog altijd beaat of naïef de Europese integratie zijn toegedaan,’ schrijft Dewachter, ‘toch even art. 2 uit het voorstel van ‘A Constitution for the European Union’ van The Economist, het gezaghebbende weekblad voor bedrijfsleiders en technocraten: ‘English, French and German shall have equal standing as the sole official languages of the Union institutions.’ (28 oktober 2000). Zelfs geen Spaans meer, of Italiaans, laat staan Nederlands.’ (blz. 319). Het is vreemd dat Dewachter in zijn werk zowat alle artikelen heeft geüpdatet, sommige zelfs tot en met de verkiezingen van mei 2003, maar hier, op dit voor Vlaanderen zeer gevoelige punt, uitgaat van een gedateerde tekst uit een Brits (!) tijdschrift, hoe gezaghebbend het ook moge wezen.

Zelf heb ik in bovengenoemd Ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa niets over officiële talen en werktalen gelezen. Artikel 2 handelt over ‘De waarden van de Unie’ en luidt als volgt: ‘De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en verbod van discriminatie.’ Niets specifieks over taalgebruik, wél een verbod van discriminatie, dus ook op taalgebied.

Het taalgebruik in de EU is gebaseerd op artikel 217 van het Verdrag volgens hetwelk de regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Gemeenschap met eenparigheid van stemmen door de Raad wordt vastgesteld, onverminderd de bepalingen van het reglement van het Hof van Justitie, en is vervolgens vastgelegd in Verordening nr. 1 [van de Raad van 15 april 1958] tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap.

Met de toetreding van de nieuwe lidstaten luidt artikel 1 van deze verordening per 1 mei 2004 als volgt: ‘De officiële talen en de werktalen van de instellingen van de Unie zijn het Deens, het Duits, het Engels, het Ests, het Fins, het Frans, het Grieks, het Hongaars, het Italiaans, het Lets, het Litouws, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Sloveens, het Slowaaks, het Spaans, het Tsjechisch en het Zweeds.’ (Bijlage II bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland enzovoort, PB L 236 van 23.9.2003, blz. 791).

Dit betekent dat de stukken die door een lidstaat of door een persoon onder de jurisdictie van een lidstaat aan de instellingen worden verzonden, naar keuze van de afzender in een van de officiële talen worden gesteld. Het antwoord moet ook in die taal worden gesteld. Met andere woorden, wanneer ik als Vlaming een brief in het Nederlands aan een van de instellingen richt, krijg ik ook een antwoord in het Nederlands. Wetgeving (verordeningen en andere stukken van algemene strekking) worden in de officiële talen, waaronder het Nederlands, gesteld. Ik begrijp niet goed wat Dewachter met zijn uitspraak wil aantonen. Maar misschien verduidelijkt hij dit nog in een toekomstig artikel.
 
  Luc Aerts
Andere  Boekbesprekingen
 
Recentste uitgave
23 (2013) 1
Voorwoord
(Jelle Zeedijk)
Palliatieve zorg: in dienst van meer levenskwaliteit?
(Herman De Dijn)
Een fenomenologie van het geraakt-zijn. Zin, ethiek en kunst.
(Nicole Note)
De haalbaarheid van onze inzet voor het publiek belang
(Bart Pattyn)
‘Responsibility to protect’, staatssoevereiniteit en het gebruik van militair geweld. Een ethisch-normatieve analyse.
(Carl Ceulemans)
Verslag van het vijfde symposium van de ICURO-werkgroep
(Stefan Van Roey)
       
 
 
Terug  naar  Ethische Perspectievencontact© 2013 - Ethische Perspectieven - p/a Damiaanplein 9 bus 5306 - 3000 Leuven - Telefoon 0032 (0)16/32.38.29