| Ethische Perspectieven | |||||||||||||||||||||
| Op het tweede oog. Over het denken van Cornelis Verhoeven. | |||||||||||||||||||||
![]() |
Ben Schomakers | ||||||||||||||||||||
| Budel, Uitgeverij Damon- 2003 | |||||||||||||||||||||
| Toen Cornelis Verhoeven in 2001 stierf, verloor Nederland één van zijn belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw. Al snel groeide bij vrienden, collega’s en een aantal oud-studenten het idee om als eerbetoon een soort intellectuele biografie te publiceren. Dat Verhoeven een bijzonder mens was, staat buiten kijf.
De biografie van Verhoeven boeit, al is ze verre van avontuurlijk. Als Brabantse boerenzoon (°2-2-1928) van katholieke huize meende Cornelis Verhoeven – of anderen voor hem – dat hij een roeping had, maar toen er aan zijn geschiktheid voor het ambt getwijfeld werd, brak hij uit eigen beweging de priesteropleiding af. In Nijmegen studeerde hij van 1950 tot 1955 oude talen, filosofie en godsdienstwetenschappen. Anderhalf jaar later promoveerde hij aan dezelfde universiteit met het proefschrift Symboliek van de voet. Ondertussen werkte Verhoeven al als leraar oude talen op een middelbare school in ’s-Hertogenbosch. Dat ambt zou hij zevenentwintig jaar lang bekleden. Voor Verhoeven ging een oude droom in vervulling toen hij in 1982 tot hoogleraar Antieke wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam benoemd werd. Toen hij in 1993 verplicht op pensioen ging, voelde hij zich ‘officieel overbodig verklaard’. Toch bleef Verhoeven ook daarna nog actief. In de lente van 2001 werd bij hem echter kanker vastgesteld. Na een kort ziekteproces stierf hij op 11 juni van dat jaar. Verhoeven schuwde overigens het autobiografische niet. Toen in 1972 zijn vader stierf, schreef hij een fijngevoelig dagboek dat in de bundel De resten van het vaderschap verscheen. Het werd opnieuw opgenomen in een bundel herinneringen, die een brede periode – vanaf zijn prille jeugd tot de docentenjaren – bestrijken: De glans van oud ijzer. Ook toen zijn kinderen geboren werden – voor de reeds wat oudere Verhoeven een onnoemelijk geluk – schreef hij een taaldagboek over de taalontwikkeling van zijn dochter Neeltje. Het typeert Verhoevens werk dat alledaagse dingen voorwerp worden van beschouwing. Telkens staat de verwondering centraal. Jacob van Sluis spreekt in zijn bijdrage Bedachtzaam katholiek zelfs van ‘een wil tot verwondering’. De bijdragen in het eerste deel van Op het tweede oog proberen vanuit verschillende invalshoeken licht te werpen op de persoon en het werk van de filosoof. Wil Derkse in Een meester uit Udenhout en Pieter Anton Van Gennip in De wijsgeer in de schaduw van zijn wijsbegeerte benaderen Verhoeven met liefdevol respect langs de weg van de biografie. Twee interviews laten Verhoeven zelf aan het woord. Het uitstel van de vraag van Ger Groot verscheen reeds in 1998 in zijn boek Twee zielen. Gesprekken met hedendaagse filosofen. Over filosofie, reflectie en metafysica is de weergave van twee diepzinnige gesprekken die Charles Vergeer met hem had en die gepubliceerd werden in het boekje Afdaling in het ongewisse. Over het denken van Cornelis Verhoeven. Ben Schomakers en Herman Berger bespreken Verhoevens interpretatie van Plato, terwijl Alfred Denker de relatie tussen Verhoeven en Heidegger centraal stelt. Andere bijdragen belichten allerlei facetten van Verhoevens persoon en werk, zoals zijn aandachtige lectuur (Jacques De Visscher), de moeilijke relatie met het katholicisme (Jacob van Sluis), zijn bevreemdende fascinatie voor geweld (Ger Groot), zijn taalgebruik (Ilse Kamphof) en visie op onderwijs (Frank Blaakmeer). Dirk de Schutter bespreekt in zijn artikel Het geweld van de verwondering de verwondering zoals die door de overleden filosoof werd gecultiveerd. Charles Vergeer schreef een lyrische bijdrage omtrent aandacht en aanwezigheid, terwijl Tom Lemaire diep ingaat op een in het boek Inleiding tot de verwondering door Verhoeven geciteerde versregel van Angelus Silezius. In een postscriptum stelt Loek Schönbeck de vraag naar wat blijvend is in Verhoevens oeuvre. Het tweede deel van dit boek bestaat uit een bibliografie. Verhoevens gewoonte om elke dag te schrijven heeft tot een gigantisch oeuvre geleid van in het totaal iets meer dan 3700 titels. Tot vlak voor zijn dood hield Cornelis Verhoeven nauwgezet een lijst bij van zijn verschenen geschriften. Op basis daarvan maakte Jacob van Sluis een ‘autobibliografie’ die naast de geschriften van Verhoeven zelf, ook de door hem begeleide dissertaties en een lijst van secundaire literatuur omvat. Het geheel wordt afgesloten door een personenregister op de autobibliografie. Op het tweede oog is een naslagwerk dat poogt recht te doen aan het leven en werk van een rasfilosoof. Verhoeven treedt hieruit te voorschijn als een man met een filosofische levenshouding, die wijsbegeerte als intellectuele passie beoefent. Zijn verwonderde benadering van de werkelijkheid, zijn beschouwende wijze van denken, wars van alle activisme, krijgen hier de aandacht die ze verdienen. Door de verscheidenheid van benaderingen en de uitputtende bibliografie is dit werk onmisbaar voor iedereen die zich in het Verhoevens denken wil verdiepen. De mooie foto’s die de essays van de bibliografie scheiden, zijn daarbij een aangename verrassing. |
|||||||||||||||||||||
| Stef Leemen | |||||||||||||||||||||
| Andere Boekbesprekingen | |||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||
