| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Macht en verzet. Het subject in het denken van Michel Foucault. |
 |
 |
Rob Devos |
| |
Kapellen/Kampen, Pelckmans/Klement- 2004 |
 |
| |
In Macht en verzet doorkruist Rob Devos Foucaults oeuvre chronologisch. Hij deelt dat oeuvre op in drie periodes. De eerste periode, die van de vroege Foucault, betreft wat men 'archeologische studies' kan noemen. De neerslag daarvan vindt men in Les mots et les choses uit 1966 en Archéologie du savoir uit 1969. Foucault toont daarin de objectivering aan van het subject. Het menselijke subject is een product van het weten – savoir – en aldus een historische constructie. Het is die vroege Foucault die de dood van de Mens aankondigt.
Foucaults tweede periode loopt vanaf L’ordre du discours uit 1970 tot en met het eerste volume van Histoire de la sexualité, namelijk La volonté du savoir uit 1976. Daar krijgt zijn analyse van de macht vorm. De savoir wordt savoir-pouvoir. De Foucault van de tweede periode is de meest bekende, precies wegens zijn analyse van de macht, die ook vandaag nog in de literatuur van de organisatiestudies zeer frequent gehanteerd wordt. Foucault wees immers op een dynamiek van machtsrelaties, waarin elkeen participeert en aldus op een actieve wijze constitutief is voor de bestaande machtsverhoudingen. Het subject is niet alleen een van buitenaf opgelegd product, ook het individu neemt actief deel aan de productie van de eigen subjectiviteit.
De derde periode vat dan aan rond het einde van de jaren 1970, en leverde L’usage des plaisirs en Le souci de soi op. Beide werken stammen uit 1984, het jaar waarin Foucault sterft. Hier schreef Foucault vanuit de belangstelling voor de zelftechnieken, voor die vormen van problematisering en van praktijken waardoor individuen zichzelf bewust transformeren tot subjecten.
Voor de beschrijving van Foucaults route de parcours heeft Devos zich toegespitst op Foucaults eigen interpretatie van zijn werk. Devos vermeldt de ophef die de publicaties teweeg brachten, maar documenteert de controverses niet. Dit boek bevat dan ook weinig secundaire literatuur. Maar dat lijkt me net de sterkte ervan te zijn. Het toont de verschuivingen in Foucaults belangstelling en wijst daarbij ook op de samenhang. Zo verschijnt Foucaults oeuvre als een thematisering van het subject, waarbij achtereenvolgens drie krachtlijnen worden uitgewerkt: het weten, de macht en de bestaanskunsten.
Is Devos’ boek dan wel meer dan een samenvatting van, of een inleiding op Foucault? Bij aanvang stelt Devos zich wel degelijk een onderzoeksvraag, namelijk 'of er in het machtsbegrip zelf niet een interne noodzaak aanwezig is die noopt de subjectiviteit een explicietere plaats te geven' (p. 12). Devos slaagt erin die noodzaak aan te tonen, maar meteen gaat mijn inziens de bewering van continuïteit in het werk van Foucault verloren. Immers, dat werk valt dan niet langer te beschouwen als een uitwerken van drie krachtlijnen, maar eerder als een analyse vanuit een bepaald perspectief in de eerste periode, gevolgd door een correctie op dat eerste perspectief door aan te tonen dat een nieuw perspectief adequater is (tweede periode), en ten slotte een uitwerking van dat nieuw perspectief in de derde periode. Immers, in Foucaults eerste periode wordt de kennisproductie als repressieve macht geanalyseerd. In de tweede periode wordt dat perspectief gecorrigeerd. Macht is dan in eerste plaats productief. In de machtsrelaties worden kennis, subjectiviteit, genoegens, affecten, vertogen en artefacten geproduceerd. Tevens is de werking van macht niet te vatten binnen een binair kader van actief-passief – wat wel het geval was in Foucaults eerste periode – maar gaat het om machtsrelaties die handelingen en ervaringen mogelijk maken. De continuïteit van de eerste naar de tweede periode is mijn inziens dan ook ver te zoeken.
Devos heeft wel gelijk wanneer hij een continuïteit ziet in Foucaults tweede en (grotendeels onuitgewerkte) derde periode. Wanneer men immers erkent dat subjectivering niet alleen van buiten uit komt, maar evenzeer door het individu zelf wordt geconstitueerd, dan is de macht niet langer tegengesteld aan de vrijheid, maar vormt de vrijheid de voorwaarde van de macht. En daarmee legt men de vraag open naar de mogelijkheid om de eigen subjectiviteit vorm te geven vanuit een bewuste houding binnen en ten aanzien van machtsrelaties.
Devos ziet daarin het gelukkige positivisme van Foucault. Immers: 'Wat we te zien krijgen als historisch veranderlijk, is nu ook veranderbaar. Door de genealogie wordt de realiteitszin omgebogen tot mogelijkheidszin' (p. 87-88). De zorg om zichzelf is Foucaults thematisering van het in zicht brengen van nieuwe vormen van subjectiviteit. Het vormt het ethisch project van Foucault, dat niet langer doelt op het beschrijven van ethieken, maar op het formuleren van een ethiek op basis van een bestaansesthetica. En Devos wijst er op dat dit voor Foucault de implicatie was van de moderniteit; een moderniteit die de mens niet bevrijdt in zijn eigen wezen, maar de mens bindt aan zijn taak zichzelf uit te werken. Dat vereist een filosofische houding (ethos) van historische kritiek, die niet leidt tot een metafysica, maar tot een praktijk; een filosofische houding waarvan de opzet genealogisch is: analyseren wat is in functie van wat mogelijk is.
Bevat de ethiek als bestaansesthetica ook een politieke exponent? Dat is alvast de kritiek die bijvoorbeeld Alain Touraine heeft op Foucault, in zijn Pourrons-nous vivre ensemble uit 1997. Devos stelt die vraag niet expliciet, maar doorheen het boek wordt die verdenking van antwoord gediend. De zorg voor zichzelf en de experimentele houding in het pogen de eigen subjectiviteit vorm te geven is als activiteit esthetisch, maar precies omdat dit door machtsrelaties gebeurt en die machtsrelaties daarmee verandert, is het onmiddellijk ook politiek. Precies door Foucaults route de parcours te doorlopen, zet Devos de maatschappelijke relevantie van Foucaults analyses en voorstellen in de verf. Devos toont een Foucault die ageert en onderneemt, en nooit reageert of volgt. Het boek eindigt met een hoofdstuk over de parrèsia – het spreken van waarheid. Foucault heeft dit nooit verder kunnen brengen dan aanzetten. Nochtans zou de verdere uitwerking daarvan het politieke karakter van Foucaults denken en verzet onomstotelijk hebben gemaakt.
Ik schreef reeds dat Devos er uiterst weinig secundaire literatuur bijhaalt. Dat is geen tekortkoming, aangezien het net Devos’ betrachting was om dat niet te doen, maar om het oeuvre van Foucault te belichten vanuit diens eigen interpretaties van zijn werk. Dat maakt het boek precies sterk – als Foucault-boek. Maar het betekent ook dat Devos zelden afstand neemt van Foucaults oeuvre en diens interpretaties, hoewel hij daar zeer boeiend is, vooral waar het een verder uitdenken betreft van Foucaults derde-periode-aanzetten. Het moge Rob Devos gegeven zijn daar een volgend boek aan te wijden.
Voor wat dit boek betreft, lijkt mij het argumenteren van een continuïteit van Foucaults tweede en derde (onuitgewerkte) periode inderdaad relevant te zijn, maar dan vooral om een reductie van Foucault tegen te gaan. In hun Empire schreven Hardt en Negri dat Foucault aanstuurde op een anti-humanistisch humanisme. Devos is erin geslaagd dit met een overtuigende argumentatie en documentatie te bevestigen.
|
|
| |
Wim Vandekerckhove |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|