| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Immanuel KANT, Naar de eeuwige vrede. |
 |
 |
Thomas Mertens |
| |
Vertaald door en Edwin van Elden. Voorwoord, inleiding en annotaties van Thomas Mertens. Amsterdam, Boom- 2004 |
 |
| |
Niet toevallig in 2004 – het jaar waarin de tweehonderdste verjaardag van Kants overlijden werd herdacht – verscheen een nieuwe, volledige Nederlandse vertaling van Kants opstel Zum ewigen Frieden. De initiatiefnemers en uitvoerders van dit project komt alle lof toe. Want het is geen sinecure om Kants taaie Duits in verstaanbaar hedendaags Nederlands om te zetten. En bovendien zijn de ideeën van de beroemde Aufklärer omtrent de realiseerbaarheid van een ‘eeuwige’ vrede, die niet resulteert uit een opsomming van broze en voorwaardelijke wapenstilstanden, allerminst achterhaald. In de hedendaagse context zijn ze zelfs meer dan een overpeinzing waard. Het is dan ook te hopen dat deze vertaling een breed publiek van geïnteresseerden in filosofie en internationale politiek weet te bereiken.
Kants tekst bestaat uit een drietal delen. In het eerste stipuleert hij een aantal principieel-juridische artikelen – preliminaire en definitieve – die moeten bijdragen tot de concrete vestiging van een ‘eeuwige’ en stabiele vrede tussen verschillende staten. Zo acht Kant het bijvoorbeeld ontoelaatbaar dat de ene staat zich mengt in de constitutie van een andere staat en dienen de staten die deel uitmaken van een langzaam en duurzaam te realiseren volkerenbond, van republikeinse signatuur te zijn. Kant blijkt immers geen vertrouwen te hebben in een soort van universele regering, die als het ware alle wereldburgers tot onderdanen van een zelfde staatsstructuur zou maken.
In het tweede deel zet Kant een teleologische redenering op, waarvan de pointe erin bestaat dat de realisering van een universele rechtsorde die de eeuwige vrede garandeert, eigenlijk in de natuurlijke gang der dingen zelf ligt. Het proces van de wereldgeschiedenis lijkt uit zichzelf uit te gaan naar een beteugeling van de natuurtoestand, die volgens Kant in hobbesiaanse zin bestaat in een initiële vijandige gezindheid tussen mensen en staten onderling. Kant schuwt hier de opvallende terminologie van een soort ‘wijsheid’ en ‘voorzienigheid’ niet.
In het derde deel zet Kant zijn geloof in de effectieve realiseerbaarheid van de ‘eeuwige’ vrede alle kracht bij. Dat doet hij door in te gaan op het idee dat zo’n vrede misschien uit ethisch oogpunt wel wenselijk is, maar politiek gezien simpelweg niet haalbaar. Door middel van het onderscheid tussen een ‘politieke moralist’ en een ‘morele politicus’ maakt Kant duidelijk dat ‘recht’ en ‘macht’ elkaar niet hoeven tegen te spreken in de totstandkoming van een duurzame en universele vredesorde. Uiterst belangrijk in dit verband vindt Kant het principe van de openbaarheid (‘publiciteit’). Want ethische politieke beleidsvoerders moeten steeds bereid zijn om hun doelstellingen en handelingsprincipes publiekelijk te verduidelijken en de kritische toets van de gemeenschap te ondergaan.
Deze vertaling van Kants vredesvoorstel wordt voorafgegaan door een vlot geschreven en interessante inleiding. De lezer verneemt er, naast een historische situering van Kants politiek-filosofische manifest en een overzicht van de inhoud van de tekst, eveneens hoe Zum ewigen Frieden bij enkele toonaangevende denkers werd gerecipieerd. Hegel en Schmitt plaatsten er ernstige kanttekeningen bij, maar Habermas en Rawls rehabiliteerden en actualiseerden de voorstellen van het unieke essay. Door deze ideeënhistorische bijzonderheden nodigt deze uitgave nog meer uit tot reflectie en discussie over datgene waarom het Kant uiteindelijk te doen was: vrede – en dat kan alleen maar aangemoedigd worden.
Wat de meer technische aspecten van de publicatie betreft, moet er helaas worden op gewezen dat de vloek van de letterzetter erin rondwaart. Die heeft niet alleen op ettelijke plaatsen geleid tot slordigheden in het Nederlands, maar ook tot foutjes tegen het Duits (p. 120), het Frans (p. 119) en het Latijn (p. 85). Daarnaast kan ook de principiële keuze voor een concordante en zinsbouwgetrouwe vertaling enigermate in vraag gesteld worden. Want hoewel ze alleszins theoretisch dient te worden toegejuicht, heeft deze keuze in de praktijk soms geleid tot draken van zinnen en uiterst onoverzichtelijke zinsconstructies. Een minder rigide trouw aan de brontaal en een grotere vrijheid met het oog op een vlotter leesbare weergave in het Nederlands had soms wellicht soelaas kunnen brengen. Want de verwachting om óók vlot hedendaags Nederlands te presenteren is niet altijd ingelost.
Vermelden we ten slotte dat de verklarende eindnoten goed uitgebalanceerd zijn en dat ze ruimschoots tegemoet komen aan hun opzet, namelijk een beter begrip van de tekst bevorderen. In de geest van Kant zelf kan een dergelijk begrip niet anders dan positieve effecten ressorteren. Laten we dus de hoop koesteren dat de inspiratie van Kants denken door deze uitgave nog lang mag doorwerken, op weg naar de eeuwige vrede. |
|
| |
Joris Geldhof |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|