| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Emoties en morele opvoeding. Wijsgerig-pedagogische studies. |
 |
 |
B. Spiecker |
| |
Meppel, Boom- 1991 |
 |
| |
In tal van ethische tractaten en discussies blijven emoties buiten beschouwing. Een zuiver oordeel over een concrete morele casus is immers niet gediend met het irrationele en wispelturige karakter van gevoelens, zo beweert men. Emoties zijn on(be)grijpbaar, ze ontsnappen aan de controle van een weloverwogen en gegrond oordeel; ze zijn een ballast in het proces van de ethische besluitvorming. En toch duiken ze van tijd tot tijd even ongecontroleerd weer op, wanneer men er geen aandacht aan besteedt, en blijken ze in staat te zijn om een evenwichtig betoog in de war te sturen. Bovendien spelen in tal van courante beslissingen van mensen omtrent het ‘goede leven’ emoties een niet onaanzienlijke rol. Heel wat spontane waarde overtuigingen worden gevoed door gevoelens van voorkeur of afkeer, die wanneer ze gethematiseerd worden, volstrekt willekeurig zijn.
In onderhavig boek pleit Spiecker ervoor om emoties niet uit de weg te gaan. Ofschoon het boek eigenlijk vanuit een wijsgerig-pedagogische interesse geschreven is, biedt het tal van inzichten om ook in de ‘volwassen’ ethische praktijk emoties deugdelijk te integreren opdat ze dienstbaar zijn in het kader van de ethische besluitvorming. Hoofdbekommernis van de auteur blijft echter de pedagogische: opdat volwassen personen in staat zouden zijn om op een evenwichtige wijze moreel te oordelen en te handelen, dient vooral in de opvoedingsperiode aandacht besteed te worden aan de opvoeding van emoties. Mede dankzij het leerproces van het verwerven en voelen van de gepaste (morele) emoties, leert de opvoedeling het morele gehalte van deze of gene situatie inschatten. Emoties zijn in de moraalpedagogiek van de laatste decennia een vergeten dimensie gebleken, aldus Spiecker, er werd teveel aandacht besteed aan het cognitieve aspect, alsof de morele groei van een persoon enkel afhankelijk is van de ontwikkeling van het moreel oordeelsvermogen (i.c. Kohlberg). Spiecker wil het cognitieve aspect niet veronachtzamen, integendeel, hij wil precies het element ‘emotie’ conceptueel verhelderen, zodat het hanteerbaar wordt in het kader van de morele opvoeding en morele oordeelsvorming. Een moreel integer persoon is iemand die tegelijk correct ethisch, d.i. rechtvaardig, oordeelt en weet heeft van hoe het ‘aanvoelt’ over een rechtvaardigheidsgevoel te beschikken.
Spiecker meent dat de afkeer ten aanzien van het aspect ‘emotie’ in de ethiek te maken heeft met het feit dat men traditionelerwijze vooral het passieve ervan in het licht heeft gesteld. Emoties overvallen ons, als het ware aan de binnenkant van ons lichaam, we hebben er geen greep op. Maar daarmee is niet alles gezegd, aldus Spiecker, want emoties hebben ook een intelligibele keerzijde: zo zeggen emoties als schaamte, verliefdheid, trots en verdriet ook iets over de intentionele betrokkenheid van de persoon die zich schaamt, verliefd wordt, enz. Het viscerale gevoel van schaamte, zoals bijv. rood worden, is noch terecht noch onterecht, maar schaamte als emotie kan onterecht zijn of terecht, redelijk of onredelijk. Dit cognitieve aspect van emoties is de focus van de analyse van Spiecker, het is op dit punt dat hij spreekt over opvoedbaarheid van emoties en wel in tweeërlei opzicht: mensen kunnen door de opvoeding heen een correcte evaluatie van hun gevoelens verwerven (‘Is deze emotie hier terecht, redelijk, gepast?’) en kunnen leren ze te beheersen, te controleren en te uiten (21 22). Dit vermogen tot talige uitdrukking dat in de opvoeding verworven wordt, maakt dat geen mens ooit volledig ‘opgeslokt’ wordt door zijn/haar emoties.
In een zevental hoofdstukken ontwikkelt Spiecker zijn betoog. Het betreft vroeger gepubliceerde artikelen die op een verstandige wijze aan elkaar geschreven werden. Na een inleidend hoofdstuk (zie supra) behandelt de auteur het onderscheid tussen twee soorten morele emoties, namelijk regelemoties en altruïstische emoties: ‘regelemoties treden alleen op indien men zich ervan bewust is dat een morele regel op een situatie (of op zichzelf) van toepassing is; zo kan het besef van het schenden van een morele regel leiden tot gevoelens van schuld en verontwaardiging. (...) altruïstische emoties, treden alleen op indien men de toestand van een ander waarneemt in het licht van zijn wel en wee. Het leed van de ander grijpt ons aan of we begrijpen dat de ander hulp behoeft en ervaren dientengevolge gevoelens van compassie en zorg’ (40).
In de (vroeg)kinderlijke ontwikkeling komen de altruïstische emoties het eerst: een kind leert empathisch ‘begrip’ opbrengen voor de vreugde en het leed van een ander; stelselmatig zal het leren sympathisch, dat wil zeggen actief, rekening houden met de gevoelens van vele anderen. Ouders en opvoeders hanteren in dit proces spontanerwijze de inductieve discipline-techniek: zij maken aan hun kind duidelijk welke spelregels van kracht zijn in dit concrete segment van het samenleven van mensen dat nu op het spel staat. Zij moedigen het kind aan om zich in de persoon van de ander in te leven. Concreet gaat het dan om vragen als: ‘Wat zou jij ervan vinden, mocht men je zo behandelen?’ Altruïstische emoties zijn dus een noodzakelijke voorwaarde voor het verwerven van regelemoties maar worden tevens verfijnd en gerechtvaardigd op grond van regelemoties. Een kind dat in staat is te weten wat het betekent dat een ander pijn voelt, kan ook leren zich ‘gepast’ schuldig te voelen (regelemotie) wanneer het een ander pijn doet.
In het derde hoofdstuk werkt Spiecker de emotie ‘schaamte’ uit als een voorbeeld van een ‘volwassen’, dat wil zeggen in hoge mate ontwikkelde, regel-emotie: mensen gevoelen schaamte wanneer zij erkennen tekort geschoten te zijn ten aanzien van hun zelfbeeld, hun waarden en idealen. Hun zelfrespect als morele persoon is geschonden waardoor zij de noodzaak ervaren hun levensproject te herzien. Dit steeds verder verfijnen van het perspectief waarbinnen men leeft, veronderstelt een volwassen omgang met de schaamte en een gepast afleggen van ‘valse’ schaamte.
Hoofdstuk vier, vijf en zes handelen respectievelijk over morele imbeciliteit (het onvermogen om morele emoties te ervaren waardoor
mensen als volstrekt verantwoordelijke maar tegelijk als liefdeloze burgers door het leven gaan), seksuele opvoeding (als een onderdeel van de morele opvoeding waarbij het respect om de ander centraal staat) en het belang van vertrouwen in de opvoeding (opvoeder en opvoedeling vertrouwen elkaar vooral de redenen van hun gedrag en overtuigingen toe).
In het slothoofdstuk wordt een bijzonder pedagogisch maar ook moreel vraagstuk behandeld, namelijk indoctrinatie. Indoctrinatie bestaat in ‘het trachten te voorkomen dat de opvoedeling of de leerling zich rationele emoties en intellectuele deugden eigen maakt, en dit terwille van de onbetwistbaarheid van bepaalde leerstellige overtuigingen’ (95). Met rationele emoties bedoelt men die emoties die gepaard gaan met een hoger ontwikkelingsniveau van het cognitief functioneren, zoals bij voorbeeld ‘voorliefde voor accuratesse, integriteit en zorgvuldigheid, waarheidsliefde, afkeer van vaagheid en onnauwkeurigheid, weerzin ten opzichte van inconsistentie en gevoelens van schaamte over eigen onlogisch redeneren’ (103-104). Een geïndoctrineerde wordt wel geïnitieerd in het regelsysteem van een bepaalde samenleving op het conventionele niveau en leert er de gepaste emoties en deugden, maar wordt verhinderd
door te stoten naar het postconventionele niveau, dat van de autonome gewetensbeslissing, waar conventies aan een kritische blik onderworpen worden en waar men vreugde vindt in de ‘poging om in de waarheid te leven’ (V. Havel).
Voor de opvoeding heeft indoctrinatie schadelijke gevolgen. Opvoeding houdt precies in dat men een kind leert mondig te worden en het de kans geeft om op een bepaald ogenblik, wanneer de volwassenheid is aangebroken, een eigen weg te gaan en zich te ont-voogden. Indoctrinatie is immoreel omdat aan een kind de toekomstige speelruimte ontzegd wordt van een eigen levensproject. Zoals hoger gezegd is dit boek vanuit een pedagogisch perspectief geschreven. Maar dit neemt niet weg dat het waardevolle inzichten bevat voor de praktische beoefening van ethiek en ethiekonderwijs op ‘rijpere’ leeftijd. Als kind leert men met morele emoties om te gaan, aan de volwassene wordt gevraagd een voortdurende scholing door te maken om zich een ethische houding eigen te maken. Dit boek bevat daartoe, ondanks een aantal storende taalfouten en enkele minder heldere passages, stimulerende ideeën. |
|
| |
Bert Roebben |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|