01-08-2013
Ethische Perspectieven
  www.ethics.be
Over ons ....
Contacteer ons ...
Over deze website...
 Ethische Perspectieven, het driemaandelijks tijdschrift van het Overlegcentrum voor Ethiek
 
  Startpagina
  Redactieraad
  Abonnementen
  Alle uitgaven
  Redactionele richtlijnen
 

 
Ethics.be
 
Selectie beschikbare artikelen
 Michael Sandel over democratie, multiculturaliteit, economische wetmatigheden, Europees burgerschap en angst
Michael Sandel (1997)
 Verantwoordelikheid, geregtigheid en versoeninge : Etiese Vraagstukke rondom die Suid-Afrikaanse Waarheids- en Versoeningskommissie
Christoff Pauw (1997)
 Voorwoord: Mogelijkheden en grenzen van prenatale technieken
Griet Galle (2011)
 Een fenomenologie van het geraakt-zijn. Zin, ethiek en kunst.
Nicole Note (2013)
 Centrum voor Economie en Ethiek - KU Leuven : 'Poverty en social exclusion'
Bart Capéau (1996)
 Praktische Ethiek van palliatieve zorg een onderzoek naar morele dimensies van palliatieve zorg
Maaike Hermsen (2000)
 Woord vooraf. Perceptie en realiteit
Bart Pattyn (2006)
 
Ethische Perspectieven
Beroepscodes. Morele kanttekeningen bij een professionaliseringsaspect van de verpleging.
A.J.G. van der Arend
  Uitgerverij Intro, Nijkerk-  1992
  Op 25 september 1992 werd aan de Rijksuniversiteit Limburg, te Maastricht een proefschrift verdedigd over het morele statuut van beroepscodes in de verpleegkunde. Naar goede Nederlandse gewoonte werd dit verpleegkundigethisch doctoraatsonderzoek ter gelegenheid van de promotie in boekvorm uitgegeven. Gezien de recente belangstelling voor de ethische problematisering binnen de verpleegkunde lijkt het ons de moeite waard het gedane onderzoek even voor te stellen en van enige commentaar te voorzien.

De centrale doelstelling van dit boek wordt door de auteur omschreven als ‘het verwerven van een inzicht in de relatie tussen de ethische en sociale aspecten van de professionalisering van het beroep van verpleegkundige en in het ethisch fundament van professionalisering als zodanig’ (11). Uit deze taakomschrijving is meteen de tweeledige invalshoek af te leiden die het hele werk typeert, met name de sociologische benadering enerzijds en het wijsgerigethisch perspectief anderzijds. Van der Arend begint zijn boek met een omstandige sociologische analyse van de uitgangspunten en ontwikkelingen van professionalisering in het algemeen, en van de verpleegkundige beroepsgroep in het bijzonder. Hij gaat ervan uit dat een grondige ethische reflectie op de waarden en normen die doorheen de verpleegkundige beroepsuitoefening circuleren, slechts kans op slagen heeft wanneer ze wordt voorafgegaan en begeleid door een grondige sociologische plaatsbeschrijving van de verpleegkundige beroepsgroep.

Centraal in deze sociologische analyse staat de beschrijving van het proces naar verdere verzelfstandiging van de verpleegkundige professie, of juister, de diverse factoren die deze evolutie belemmeren. Van der Arend stelt in dit verband ondermeer vast dat verpleegkundigen vooral werkzaam zijn in de onderste regionen van de lijnstructuur van bureaucratisch functionerende organisaties; hun werkzaamheden in belangrijke mate gedefinieerd en bepaald worden door derden; het beroep sterk gesegmenteerd is; functie-eisen de beroepseisen overheersen; de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en kunde nog in de kinderschoenen staat; de organisatiegraad laag is, waardoor onvoldoende gebruik gemaakt wordt van de aantalsmacht. Aldus dreigt het gevaar van deprofessionalisering.

Vanuit dit sociologisch kader poogt van der Arend tot een normatieve vraagstelling te komen ten aanzien van het verschijnsel professionalisering. Hoewel de auteur herhaaldelijk stelt dat de wijsgerig-ethische benadering van het professionaliseringsproces in zijn onderzoek primeert, is het toch steeds opnieuw de sociologische onderzoekslijn die duidelijk de meeste aandacht krijgt. In sociologische theorieën aangaande professionalisering worden beroepscodes als een centrale categorie beschouwd wanneer de normatieve dimensies worden benoemd. Beroepscodes worden beschouwd als expliciete of impliciete dragers van waarden en normen, die door een beroepsgroep worden nagestreefd. Op grond van dit gegeven poogt de auteur via beroepscodes de normatieve aspecten van het professionaliseringsproces van verpleegkundigen te illustreren. Daarbij richt hij zijn aandacht op een viertal gepubliceerde beroepscodes voor verpleegkundigen, met name de codes van de International Council of Nurses (ICN); de American Nurses’ Association (ANA); de United Kingdom Central Council of Nurses, Midwives and Health Visitors (UKCC) en de Nederlandse Maatschappij voor Verpleegkunde (NMV) (nu Nieuwe Unie ’91 geheten).

Na een (te) beknopte inhoudelijke beschrijving, worden de hierboven aangehaalde beroepscodes geanalyseerd op het (impliciet of expliciet) aanwezige waarden- en normenpatroon. Van der Arend wijst de opvatting van de hand als zouden beroepscodes louter uit etiquetteregels bestaan. Morele regels doorbreken de vanzelfsprekendheden van een op conventies gebaseerde moraal waaruit etiquetteregels bestaan.

Wat de inhoudelijke thematisering van de beroepscodes betreft, komt de auteur op grond van de omschrijving van de fundamentele verantwoordelijkheden van verpleegkundigen tot het besluit dat dienstbaarheid de centrale morele waarde is. In praktisch alle normen is sprake van een morele verplichting of van morele waarden die aan verpleegkundigen worden voorgehouden ter realisering jegens anderen. In slechts enkele gevallen is expliciet sprake van morele verplichtingen of morele waarden, die tevens een moreel recht van de verpleegkundige zelf uitdrukken.

De vraag die van der Arend vervolgens stelt is of aan de dienstbaarheidsverplichting niet alleen een moreel maar ook een ideologisch karakter kan worden toegeschreven. Met andere woorden, worden beroepscodes niet beschouwd als een belangrijk hulpmiddel bij de realisering van een aantal maatschappelijke doelstellingen zoals wekken van vertrouwen bij het publiek, doen aanvaarden van de eigen doelstellingen en praktijken, opkrikken van de eigen status, enzovoort? Op grond van een gedegen analyse van de semantische kenmerken van de codes, de logische structuur van de teksten en de vooronderstellingen die de interpretatie van de teksten sturen, meent van der Arend te moeten vaststellen dat onder de vlag van ’dienstbaarheid’ wel degelijk vele zaken schuil gaan die verwijzen naar een ideologisch gehalte van de beroepscodes.

Niet alleen het ideologisch karakter van beroepscodes leidt tot mogelijke eenzijdigheden of verkeerde interpretaties van de verpleegkundige beroepsuitoefening, ook bij de toepassing van de beroepscodes als specifiek moreel document kunnen problemen optreden. Deze zogenaamde toepassingsproblemen hebben volgens van der Arend alles te maken met de rol en positie van verpleegkundigen in gezondheidszorg en samenleving. De auteur spreekt in dit verband van de ‘morele positie’ van verpleegkundigen en bedoelt daarmee: ‘De plaats die verpleegkundigen innemen in hun netwerken van relaties met anderen met het oog op de realisering van morele verplichtingen vanwege de beroepscode’(175). De auteur meent op grond van nauwkeurig onderzoek de morele positie van verpleegkundigen te moeten beschouwen als in hoge mate heteronoom en ambigue.

Er is niet alleen sprake van een grote afhankelijkheid van de waardenoriëntaties van andere personen en instanties, maar tevens van belemmeringen in de eigen houding om zich die waardenoriëntaties eigen te maken of er zich kritisch tegenover te stellen. De verpleegkundige is als het ware gevangen in een web van referentiekaders, waarin aan de ene kant vanuit een professioneel beroepsperspectief zelfstandig optreden en autonome oordeelsvorming worden gevraagd, maar anderzijds deze vaak de expliciete goedkeuring en medewerking van derden vereisen. De problemen duiken precies op waar een realisering van de waarde dienstbaarheid (met het focus op het welzijn van de patiënt) botst met de belangen van hemzelf, van geneesheren en van de organisaties waar ze deel van uitmaken.

De analyse van diverse toepassingsproblemen doet van der Arend besluiten dat de morele status van beroepscodes erg ondermijnd wordt door haar feitelijk ideologiserend gebruik. In de concrete beroepspraktijk van verpleegkundigen is er volgens hem weinig ruimte voor de verwezenlijking van in de beroepscodes geïmpliceerde waarden. Als gevolg van dit alles zijn er weinig mogelijkheden voor verpleegkundigen om tot effectieve ethische zinverlening van hun beroepsuitoefening vanuit beroepscodes te komen. Vanuit dit perspectief moet de morele status van de beroepscodes voor verpleegkundigen dan ook laag worden geschat.

Van der Arend presenteert in zijn boek een indrukwekkende momentopname van een viertal nationale en internationale beroepscodes. Het overzicht is ’indrukwekkend’ omdat de enorme verscheidenheid aan plichten, waarden en algemene intenties die in beroepscodes gearticuleerd worden, in een alomvattende samenhang geplaatst worden, waardoor een verhelderend perspectief geopend wordt inzake de accenten die in de diverse codes worden gelegd. De auteur biedt echter ‘maar’ een ‘momentopname’
aangezien een grondige historische analyse van de inhoud van de codes achterwege blijft. We zijn ervan overtuigd dat een historische inhoudsanalyse enkele nuttige interpretatiesleutels zou opgeleverd hebben voor zowel de sociologische als de wijsgerig-ethische onderzoekslijn die in het boek ontwikkeld wordt.

Komen we opnieuw even terug op de grote nadruk die in dit boek gelegd wordt op de sociologische onderzoeksmethode. Hoewel een sociologische analyse van het functioneren van beroepscodes in de verpleging uiteraard zeer waardevol is, kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat de auteur de ethiek teveel als een sociologisch fenomeen heeft bestudeerd. Meer zelfs, door zich voortdurend in het overgangsgebied tussen sociologie en ethiek te begeven treedt ons inziens het gevaar op van een ‘sociologisering’ van de ethiek of tenminste van het ethische begrippenapparaat. Door de overwegend sociologisch-empirische benadering van het ethisch fenomeen beroepscodes wordt ons inziens tekort gedaan aan de inhoudelijke wijsgerig-ethische invulling van een normatief referentiekader. Deze studie van de deontologische traditie binnen de verpleging vraagt dan ook om een aanvulling wat de specifieke verpleegkundig-ethische traditie betreft. Mogelijks biedt de ontwikkeling van een verpleegkundige ethiek meer kansen tot morele oordeelsvorming bij verpleegkundigen dan bij beroepscodes het geval is.

Ondanks het ontbreken van een historisch perspectief en het onvoldoende uitklaren van de inhoudelijke ethische invulling heeft van der Arend met zijn studie ongetwijfeld een belangrijke stimulans gegeven aan een wat vergeten onderzoeksdomein, met name de verpleegkundige deontologie. Beroepscodes zijn weinig bekend bij verpleegkundigen op de werkvloer, laat staan dat ze een rol van betekenis uitoefenen bij de morele oordeelsvorming van verpleegkundigen. Enigzins paradoxaal met de feitelijke minimale kennis van beroepscodes aan de basis stellen wij sinds een tiental jaren een explosieve groei vast van het aantal beroepscodes in de verpleging. Van der Arend waarschuwt op grond van ernstig onderzoek voor een al te optimistische interpretatie van deze deontologische revival in de verpleging. Verpleegkundige beleidsmensen, die vroeg of laat met de vraag naar de wenselijkheid van beroepscodes geconfronteerd worden, kunnen bij het lezen van dit boek hun standpunten daaromtrent verder vormen en zonodig nuanceren.
 
  Chris Gastmans
Andere  Boekbesprekingen
 
Recentste uitgave
23 (2013) 1
Voorwoord
(Jelle Zeedijk)
Palliatieve zorg: in dienst van meer levenskwaliteit?
(Herman De Dijn)
Een fenomenologie van het geraakt-zijn. Zin, ethiek en kunst.
(Nicole Note)
De haalbaarheid van onze inzet voor het publiek belang
(Bart Pattyn)
‘Responsibility to protect’, staatssoevereiniteit en het gebruik van militair geweld. Een ethisch-normatieve analyse.
(Carl Ceulemans)
Verslag van het vijfde symposium van de ICURO-werkgroep
(Stefan Van Roey)
       
 
 
Terug  naar  Ethische Perspectievencontact© 2013 - Ethische Perspectieven - p/a Damiaanplein 9 bus 5306 - 3000 Leuven - Telefoon 0032 (0)16/32.38.29