| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Zinvolle seksualiteit. Een integraal-relationele achtergrondvisie in christelijk perspectief. |
 |
 |
Roger Burggraeve |
| |
Acco, Leuven/Amersfoort- 1992 |
 |
| |
In dit boek wordt gezocht naar de uiteindelijke zinrichting van seksueel verlangen, antropologisch- argumentatief onderbouwd en bijbelstheologisch geduid.
Het inleidende hoofdstuk schetst het uitgangspunt. In tegenstelling tot de relatief instinctmatige gedrevenheid van het dierlijk paringsgedrag, kent het menselijk verlangen, en niet in het minst zijn seksueel verlangen, een relatieve ‘onbepaaldheid’. De afwezigheid van determinerende krachten die hem onafwendbaar in een bepaalde richting stuwen, plaatst de mens enerzijds hulpeloos tegenover de meerzinnige impulsen van zijn nooit aflatende begeerte, maar schept anderzijds kansen tot een ongekende plasticiteit. De mens wordt uitgedaagd om de ‘negativiteit’ van het ontbreken van strakke en onafwendbare wetmatigheden te transformeren tot een oproep tot verantwoordelijkheid om zijn seksueel leven zo zinvol en kwalitatief mogelijk in te kleuren. Wegwijzers hiertoe zijn vier dimensies van seksualiteit, namelijk relatie, lust, procreatie en institutionalisering. Volgens de auteur moet de relatie in haar veelzijdigheid centraal staan als vertrekpunt en doel waaraan de andere dimensies worden getoetst en gerelateerd.
In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op de structuur van het menselijk verlangen en de seksuele begeerte. Confrontatie met de realiteit noopt het grenzeloze begeren tot opschorting en inperking van zijn totaliteitsaanspraken. Deze noodzakelijke matiging van het begeren blijft echter voornamelijk steken in frustratie en machteloosheid, wanneer deze verzaking niet wordt gemotiveerd door een oprechte en principiële bekommernis om het welzijn van de ander als ander. Vanuit deze ‘her-ijking’ van het begeren kan het begerend verlangen open staan voor de sterkte èn de zwakheid van de ander en diens alteriteit verwelkomen, behoeden, bevestigen en stimuleren. Deze tederheid als ‘kwaliteit van aanwezigheid’ betekent echter geenszins de ontkenning van de eigen begeerte, maar roept op tot integratie van de dynamische krachten van het egocentrische verlangen in de altrocentrische en liefdevolle toewending naar de ander.
In het derde hoofdstuk wordt naar het bijbelverhaal verwezen, met name naar de beide scheppingsverhalen en het zondevalverhaal. Het leert ons over ons relationeel geseksueerd-zijn. Omdat de seksuele differentiatie de sluitsteen vormt van de goddelijke scheppingsactiviteit (Gen. 1), worden man en vrouw uitgedaagd tot een ‘scheppende relatie’, dit wil zeggen tot erkenning van elkaars verschillend zijn, echter zonder de fundamentele ‘algemeen-menselijke’ gelijkenis (Gen. 2) tussen man en vrouw te verwaarlozen waardoor ze werkelijk ‘één vlees’ kunnen worden. Het belang van de relatie met elkaar en met God als crux van een zinvolle seksualiteitsbeleving licht op in de tragiek van het zondevalverhaal waarin man en vrouw onbekwaam worden om God als de liefdevolle Vader te ontmoeten en zich tegenover elkaar schamen voor hun naaktheid. Ondanks alle mislukkingen en perverteringen heeft de ongelukkige contingentie niet het laatste woord, maar blijft, door Gods heilwsil en door menselijke bekering, de vervulling van de belofte steeds opnieuw mogelijk.
In het vierde hoofdstuk ligt de klemtoon op de lustdimensie in verhouding tot relatie in het algemeen. Zowel een antihedonistische verwerping als een enghedonistische ophemeling van de lustdimensie gaan voorbij aan de ‘dubbel zinnigheid’ van het genot. Vanuit een positief-ethische integratie van de partiële seksuele pulsies kan het erotischseksueel genot echter een belangrijke bijdrage leveren aan het welzijn en de ontplooiing van de liefdesrelatie.
Het vijfde hoofdstuk verduidelijkt hoe procreatieve vruchtbaarheid als specifieke vorm van relatievruchtbaarheid een belangrijke uitdaging en verrijking kan zijn voor een echtpaar. Het past echter bewust betrokken te zijn op de eigen voortplantingsvisie, de bewuste en onbewuste motiveringen, verlangens, weerstanden, angsten en verwachtingsfantasmen om de eigen kinderwens te kunnen integreren in een verantwoorde keuze voor de alteriteit van het kind.
Het zesde hoofdstuk gaat in op de noodzaak en de betekenis van de institutie, zonder de spanning met het seksueel begeren en de hedendaagse kritische opmerkingen uit het oog te verliezen. Het huwelijk verschijnt als een vormgeving die de liefdesrelatie uitdaagt zichzelf steeds weer waar te maken en de gehuwden beschermt en steunt in hun engagement.
Het zevende hoofdstuk vertrekt van het huwelijkshoofdstuk van Gaudium et Spes om de verbondsnotie van het huwelijk tegen bijbelse achtergrond te ontvouwen. Uitverkiezing en wederkerigheid zijn de pijlers waarop zowel het huwelijksverbond als het verbond met Jahwe steunen. De religieuze werkelijkheid van het verbond tussen God en mens wordt opgeroepen door teksten over de menselijke ervaring van het huwelijk in al zijn aspecten. Op zijn beurt werpt de benadering van de relationele aspecten van het verbond een bijzonder licht op de huwelijksliefde.
Opgenomen in de heilsgeschiedenis wordt de menselijke liefde van de echtgenoten teken en realiserende uitdrukking, dit is sacrament van Gods liefde voor de mens, van Christus’ liefde voor zijn Kerk. Het wederkerig en vrij engagement roept op tot een scheppende trouw waarin beide partners in beschikbare aanwezigheid bouwen aan hun liefdesrelatie en elkaar steeds meer als unieke, onvervangbare personen beleven. Vanuit deze rijkdom weten zij zich gezonden om vruchtbaar te zijn voor de wijde wereld. Resultaat van deze tocht is een integraal-relationeel en christelijk geïnspireerd denkkader dat een stevig houvast biedt aan ieder die op zoek is naar een menselijk en gelovig doordachte visie op zinvolle seksualiteit. |
|
| |
Ilse Cornu |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|