| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Kapelaan van de duivel. Een keuze uit de opstellen van Richard Dawkins. |
 |
 |
Richard Dawkins |
| |
Amsterdam/Antwerpen, Contact
- 2004 |
 |
| |
De titel van het boek, in het Engels A Devil’s Chaplain, vraagt enige toelichting voor de lezer die niet zo vertrouwd is met Darwin.
De auteur geeft in zijn eerste (en het enige nooit eerder gepubliceerde) essay Kapelaan van de duivel aan dat Darwin op 13 juli 1856 in een brief aan zijn vriend en vertrouweling, de taxonoom Joseph Dalton Hooker, schreef: 'What a book a Devil’s Chaplain might write on the clumsy, wasteful, blundering low and horridly cruel works of nature'.
Wat Dawkins er niet bij vertelt, maar Adrian Desmond en James Moore in hun biografie Darwin wél vermelden, is dat die Devil’s Chaplain een verwijzing is naar Darwins studiegenoot Robert Taylor die later als apostaat bekend zou worden om zijn bombastische zondagssermoenen over de duivel in The Rotunda, waarin hij telkens stelde dat 'God en de duivel één en dezelfde persoon is' en dat 'hel en hellevuur oorspronkelijk niets meer waren dan de namen en de titulatuur van de Allerhoogste' (Penguin, 1992, p. 84-85).
Darwin uitte in die brief aan Hooker de vrees dat hij met zijn evolutietheorie later eveneens als a Devil’s Chaplain zou worden aangemerkt, een hulpje van de duivel zoals Johan Braeckman de term in Darwins moordbekentenis vertaalt, een paria van de beschaving, een bedreiging voor de argelozen, een infidel in disguise. Dezelfde argumenten die de creationisten thans op Dawkins afvuren.
Niet te verwonderen dus dat Dawkins in zijn boek ruime aandacht besteedt aan traditie, gezag en openbaring, die hij ziet als hinderpalen voor rationeel wetenschappelijk onderzoek – een stelling die steeds vaker wordt betrokken door wetenschappers.
Rationeel wetenschappelijk onderzoek moet volgens Dawkins primeren. Het bewijs is bepalend voor het waarheidsgehalte. De onverenigbaarheid tussen wetenschap (bewijsbare waarheid) en dogma (opgelegde waarheid) is van alle tijden. Telkens wanneer wetenschappelijk onderzoek dogma’s onderuit haalt, ontbrandt een ideologische strijd.
Copernicus ontnam de aarde haar centrale plaats, Darwin ontkrachtte het menselijk chauvinisme, Freud introduceerde de idee van de onbewuste processen. Alle drie werden ze achtervolgd door een verzengende controverse ten aanzien van hun onderzoek. Zelfs Huxley’s spitsvondig agnosticisme kon in het geval van de evolutietheorie geloofsovertuiging niet met wetenschap verzoenen.
Dawkins keert zich in zijn standpunten telkens heel scherp tegen – vooral fundamentalistische – geloofsovertuigingen. Daar kunnen op bepaalde punten ook de nodige vraagtekens bij worden gezet. Neem nu bij voorbeeld zijn pleidooi om de 'longitudinale memen' uit te schakelen.
Een meme (de term is van Dawkins) is een zichzelf replicerend cultuurelement dat door imitatie wordt overgebracht. Dit kan 'longitudinaal' gebeuren, dit is van generatie op generatie, of 'horizontaal', via het milieu waarin men zich bevindt. Geloof en traditie mogen volgens hem niet van generatie op generatie worden doorgegeven omdat zij het rationele denken zouden belemmeren.
Hiermee bouwt hij voort op het mneme-concept van de weinig bekende Duitse bioloog Richard Semon (Die Mneme, 1904) en trekt daarbij een parallel met het gen. Als voorbeeld hoe de 'evolutieketen' van de meme kan worden doorbroken, geeft hij aan het einde van het boek de brief die hij aan zijn destijds achtjarige dochter schreef en waarin hij haar oproept om niet te geloven in het onbewezene/onbewijsbare zoals bij voorbeeld de tenhemelopneming van Maria.
Maar geeft hij op die wijze ook niet zelf zijn 'longitudinale memen' door? Een ander voorbeeld van 'ongeloofwaardigheid' is volgens hem het mysterie van de transsubstantiatie (p. 163-164) waar hij het niet kan opbrengen om de metafoor te zien.
C. P. F. Stutterheim heeft daar in Het begrip metaphoor: een taalkundig en wijsgerig onderzoek het volgende over geschreven : 'De interpretatie van de woorden bij het Avondmaal als ‘eigenlijke’ uitdrukking levert hier juist het irrationele, het niet met het verstand, wel met het geloof en het gevoel te aanvaarden mysterie, terwijl de symbolische interpretatie volkomen rationeel is.' (Paris, 1941, p. 357).
Kunnen geloof en wetenschap niet zijn zoals brood en water, zeer verschillend, maar allebei voedsel voor de mens, zoals professor Jan Van der Veken het vorig jaar in een lezing aan de Universiteit Derde Leeftijd in Leuven verwoordde?
Kapelaan van de duivel is interessant omdat het boek ons laat zien hoe de aandacht van Dawkins in de loop der jaren is verschoven van het louter wetenschappelijke werk naar een kruistocht tegen misvattingen die van bovenuit worden opgelegd (dogma’s, geopenbaarde waarheid) of doorgegeven (traditie, geloof, gezag). Dit betekent geenszins dat Dawkins geen puur wetenschappelijke werken meer zou publiceren.
Recentelijk is van hem nog The Ancestor’s Tale. A Pilgrimage to the Dawn of Life (Weidenfeld & Nicolson, 2004) verschenen waarin hij aan de hand van een aantal interessante vertellingen (het bekende stramien van Chaucer) een reis in de tijd maakt naar onze allereerste gemeenschappelijke voorouders. Maar dit boek vergt van de lezer een gedegen achtergrondkennis van de biologie, hetgeen niet het geval is met Kapelaan van de duivel.
|
|
| |
Stefan Aerts |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|