| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Terugkeer van de natuur. De betekenis van natuurervaring voor een nieuwe ethiek. |
 |
 |
Angela Roothaan |
| |
Kampen, Klement- 2005 |
 |
| |
Dit boek presenteert – anders dan de titel wellicht doet vermoeden – niet een milieu-ethiek, maar een brede onderbouwing van een voorstel voor een algemene, of fundamentele ethische theorie. Zo'n algemene ethiek (die eigenlijk meer wordt aangekondigd dan uitgewerkt) zou weliswaar naar allerlei toepassingsgebieden, waaronder dat van de milieu-ethiek, kunnen worden uitgewerkt, maar dat gebeurt in dit boek zeker niet. Hier gaat het om een kader of een grondslag daarvoor.
Fundament van de voorgestelde fundamentele ethiek is een theorie van ‘natuur’. ‘Natuur’ is de term die door de auteur wordt gebruikt, niet om een a-historisch ‘iets’ buiten de mens, maar om de menselijke bestaansconditie te beschrijven. Deze conditie wordt zichtbaar in wat de auteur noemt de ‘bestaanservaring’, en dat is voor haar de ervaring dat menselijk bestaan getekend is door een soort afhankelijkheid, dat het een broos evenwicht is dat gemakkelijk verstoord kan worden, en waarop andere mensen en omstandigheden voortdurend inwerken. Die ervaring wordt in verhalen en mythen verbeeld, uitgewerkt tot een collectief narratief dat wordt doorgegeven in een traditie, en waarin ‘natuur’ als metafoor een centrale rol speelt.
De auteur werkt dit fundament uit als een ontologie. De hermeneutische benadering die daarin naar voren komt, wordt gepresenteerd als een ‘deconstructief en narratief hermeneutische methode’, en aangeduid als haar ‘kennistheoretische positie’. In het kader van die hermeneutische benadering maakt zij regelmatig een gang door de geschiedenis om het voorgestelde begrip van natuur te verduidelijken vanuit een vergelijking met andere ontwerpen die de geschiedenis te zien geeft. Volgens de auteur zijn dat er drie: de premoderne natuur als orde (met de Stoa als paradigma), de moderne natuur als geheel van wetmatigheden onder de waarneembare werkelijkheid (met Descartes als paradigma) en de romantische natuur als spontaniteit. De auteur duidt het door haar voorgestelde ontwerp steeds aan als ‘(post)modern’, waarbij zij (post)moderniteit karakteriseert als bewustwording van historiciteit, gesitueerdheid en existentiële verworteling.
Van de ethiek die op dit fundament zou passen, worden onder meer de volgende contouren geschetst (van een ‘uitwerking’ kan men eigenlijk niet spreken): het is een ethiek die de fundamentele waarden waarvan de auteur vertrekt (menselijke waardigheid en kritische reflectie) herinterpreteert vanuit de gegeven ‘ontologie’; een ethiek die niet alleen de autonome redelijkheid van de mens aanspreekt, maar die zijn hele existentie betrekt; en vooral: een ethiek waarin het besef van onze afhankelijkheid van de natuur en onze onmacht tegenover haar enerzijds en ons bewustzijn van de verantwoordelijkheid om ons tot die natuur te verhouden anderzijds centraal staan.
Inderdaad: wat in dit boek over ethiek wordt gezegd blijft nogal algemeen en schetsmatig. De verdienste van het boek ligt niet zozeer in de ‘nieuwe ethiek’ die in de ondertitel ervan wordt genoemd, maar eerder in de poging om het begrip natuur ‘hermeneutisch’ en ‘narratief’ te duiden als iets wat niet tegenover de mens staat, maar als een metafoor die precies de verwevenheid van de mens (het ‘intersubject’) met zijn omgeving en het historisch karakter en de narratieve verbeelding daarvan tot uitdrukking brengt. Dat begrip van natuur wordt uitgewerkt met de begrippen ‘geboortigheid’ (Arendts ‘nataliteit’), ‘levensverhaal’ en ‘netwerk’.
Er wordt bij die uitwerking echter wel erg veel geduld of uithoudingsvermogen van de lezer gevraagd. Wat er nu feitelijk over deze hermeneutische ontologie wordt gezegd zou in minder dan eenderde van het boek geschreven kunnen worden. Wat als didactische helderheid geprezen kan worden wanneer het met mate wordt toegepast, wordt hier een beetje mateloos. Alles wordt minstens vier keer gezegd: aangekondigd in een inleidend hoofdstuk, vooraf resumerend aangegeven in het begin van een hoofdstuk, terugblikkend samengevat aan het eind van een hoofdstuk, en dan wordt het ook nog voortdurend in andere hoofdstukken weer in herinnering gebracht. Voeg daarbij de omslachtige stijl (Roothaan schrijft in plaats van ‘a is b’ liever: ‘als men mij zou vragen wat a is, zou ik geneigd zijn te antwoorden dat het b is’), en het zal duidelijk zijn dat een goede redacteur had kunnen voorkomen dat de lezer wat verveeld of geërgerd raakt en daardoor te weinig aandacht dreigt te schenken aan de passages waar het eigenlijk om gaat. Die kern is immers te interessant om bedolven te worden onder zoveel woorden. Zo'n redacteur had de auteur dan misschien ook kunnen behoeden voor haar nu te weinig onderdrukte neiging om voortdurend te verwijzen naar eigen werk, en de vaak misplaatst aanmatigend klinkende behoefte om de eigen positie af te bakenen van andere (grotere) auteurs en stromingen.
|
|
| |
Paul Van Tongeren |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|