| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Kritiek van de despotische rede. Essays over de `Dialectiek van de Verlichting'.
|
 |
 |
Koen BOEY, A. COOLS (red.) |
| |
Leuven, Acco- 1999 |
 |
| |
Dialektik der Aufklärung van Horkheimer en Adorno is een boek dat zijn stempel heeft gedrukt op allerlei kritische reflecties omtrent de consumptiemaatschappij, de techniek, de cultuurindustrie en de milieuproblematiek.
Het boek dat in 1942 in de context van het nazisme werd geschreven, maar pas na de oorlog werd uitgegeven, ademt een sombere sfeer uit. Voor Horkheimer en Adorno is het duidelijk dat de rede het tegendeel gebracht heeft van wat de Verlichting ervan had verwacht. In plaats van een grotere vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid heeft de geschiedenis de totale `barbarij' voortgebracht die in de gaskamers haar exemplarisch hoogtepunt heeft bereikt.
Voor de beide auteurs is dit geen toevallige terugval in een vroeger stadium van de menselijke ontwikkeling, maar het onontkoombare gevolg van de instrumentele rede zelf. Het is de verlichting zelf die tot deze barbaarse mislukking van de verlichting heeft geleid.
Omdat Dialectiek van de Verlichting zo een belangrijke rol speelt in de kritiek op de westerse beschaving enerzijds, maar anderzijds moeilijk toegankelijk is, hebben Koen Boey en Arthur Cools een aantal bijdragen gebundeld die dat laatste euvel moeten verhelpen.
Na een algemene situering van het boek door Koen Boey, probeert Joeri Naânaï een perspectief te vinden van waaruit hij de verschillende betekenislagen van Dialectiek van de Verlichting met elkaar in verbinding kunnen treden. Hij meent dat gevonden te hebben in het belang dat Horkheimer en Adorno aan de angst toekennen. Hij probeert in zijn bijdrage aan te tonen dat Horkheimer en Adorno de ontwikkeling van de westerse rationaliteit zien als een poging om te ontkomen aan de angst voor de eigen eindigheid. Maar vreemd genoeg zal de verlichting die uit angst ontstaan is, ten onder gaan aan diezelfde angst. Het is het drama van onze beschaving dat het middel dat ons vrijheid van de natuur had moeten verschaffen — de rede — zich tegen ons heeft gekeerd en heeft geleid tot een radicale onvrijheid.
In het essay Odysseus bespreekt Koen Boey de wijze waarop Adorno en Horkheimer met de mythe in het algemeen en met de figuur van Odysseus in het bijzonder omspringen. De belangstelling voor de mythe was in 1942 zeker geen evidentie. Volgens het positivisme was het mythische stadium iets dat de mensheid achter zich had gelaten. Adorno en Horkheimer beschouwen de mythe echter zelf ook als een vorm van verlichting die orde brengt in de veelheid.
De mythen getuigen van een subject dat niet meer is overgeleverd aan de veelheid, maar er al een zekere afstand van heeft genomen. Odysseus is voor hen het oerbeeld van de burger. In deze interpretatie is de klemtoon op de zelfhandhaving van deze Griekse held, de list die hij gebruikt, zijn berekenende en sceptische houding tegenover het offer, zijn bereidheid tot onthechting en nadruk op arbeid en hiërarchie een voorafspiegeling van de latere kapitalistische burger.
Arthur Cools laat in zijn bijdrage over de tweede excursie van de Dialectiek van de Verlichting zien hoe Horkheimers concept van dialectiek een radicale betekenisverschuiving ondergaat die in de ogen van Cools een methodologische terugval is in vergelijking met de opvattingen van de kritische theorie in de jaren dertig.
Gerrit Steunebrink schetst de achtergrond van Adorno's kritiek op de cultuurindustrie. Hij besteedt heel wat aandacht aan Adorno's visie op de aard en betekenis van cultuur om tot een beter begrip te komen van zijn aanval op de massacultuur. Daarbij gaat de grootste aandacht uit naar de muziek, m.n de jazz.
In de boeiende en heldere bijdrage Elementen van antisemitisme. Grenzen van de Verlichting bespreekt Diederik Boeykens de verklaring voor het antisemitisme die Horkheimer en Adorno — in samenwerking met Leo Löwenthal — hebben gegeven. Daarvoor maakten ze gebruik van het begrippenapparaat en de terminologie van de psychoanalyse.
In een korte uitleiding geeft Koen Boey tenslotte wat informatie over de naoorlogse Frankfurters: Horkheimer, Adorno, Marcuse en Habermas.
Geen van de auteurs gaat de vraag uit de weg in welke mate Dialectiek van de Verlichting nog actueel is en evenmin of de analyses van het boek wel opgaan. Het diepe pessimisme, de neo-marxistische denkkaders en het psychoanlytische begrippenapparaat staan immers allemaal fel ter discussie. Bij de zoektocht naar een antwoord op die vragen blijkt de oogst nogal mager: Dialectiek van de Verlichting heeft aanleiding gegeven tot een hele reeks studies en heeft dus als startpunt van een debat een historische waarde. De essays in Kritiek van de despotische rede kunnen behulpzaam zijn bij een beter begrip van deze discussie. |
|
| |
Stef Leemen |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|