| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| The Corporate Cottage: managers liever niet aan de leiband. |
 |
 |
Noël Van Robaeys |
| |
- Leuven, Acco 2002 |
 |
| |
Strategie, het was ooit het voorrecht van generaals, vandaag vinden we het eerder terug bij bedrijfsleiders die dankzij zorgvuldig uitgekiende strategische plannen commerciële successen aan elkaar rijgen. Het strategisch plan, koninginnestuk van het bedrijf als rationele organisatie, een volledige beschrijving van de bedrijfshorizon en de weg erheen. Dat rationele plan en het beeld van het bedrijf als goed geoliede bureaucratie in Weberiaanse zin wordt in dit kleine boekje in niet mis te verstane bewoordingen geproblematiseerd vanuit de eigen ervaringen van de auteur. ‘De strategische plannen die ik in vijfentwintig jaar praktijk gezien heb, blijken in veel gevallen niets meer te zijn dan een reeks cijfermatige oefeningen’. ‘Overijverige topmanagers, haastig om te scoren in de ogen van aandeelhouders, de raad van bestuur, de pers, … vertillen zich met overgave en overtuiging aan projecten en experimenten waar ze de mensen niet voor hebben. … ze starten een nieuwe business op, liefst in een hightechtechnologie waar ze geen ervaring in hebben in een totaal onbekende markt. En dat alles met de ogen toe. Waar kwam die strategie vandaan? Aangevlogen, autonoom, aangewakkerd door persoonlijke ambitie, opgekomen zoals de griep.’ De architecturale strakheid van het modernisme moet in dit beeld van de onderneming wijken voor een wat kramakkelig buitenhuisje met beslagen ramen, stoffige zolders waar niemand ooit komt, lekken in het dak en scheef hangende regenpijpen. Het strategisch plan blijkt veelal slechts te functioneren als een rechtvaardiging achteraf of als een opgesmukt beeld dat nu eenmaal noodzakelijk is voor de dialoog naar buiten toe. ‘Stel je voor dat de manager naar zijn aandeelhouders stapt met het volgende verhaal: het kan links maar het kan ook rechts, weet ik veel?, wat zullen de aandeelhouders dan van die manager denken? … Stel je voor dat die manager ook nog eens zegt dat hij eigenlijk alleen maar naar de toekomst kan stappen gewapend met enkele principiële houdingen, dan verminken de leden van de raad van bestuur zichzelf toch uit wanhoop!’
Het scepticisme van de auteur ten aanzien van de geplande onderneming heeft alles te maken met de uiterst onzekere toekomsthorizon waarin elke economische activiteit zich voltrekt. De beheersingsdrang die uitgaat van het strategisch plan is uiteindelijk boerenbedrog, veel belangrijker zijn de zogenaamde autonome strategieën waarbij bedrijfsmedewerkers reageren op onverwachte mogelijkheden en deze initiële initiatieven opgenomen worden door het management en als ad hoc-strategie uitgewerkt worden. De rationele beheersingsdrang van het strategische plan wordt voortdurend doorprikt in de uitermate onzekere economische ruimte waarin het bedrijfsgebeuren zich afspeelt. En dit zal ook het lot zijn van organogrammen die de rol, functie en verantwoordelijkheid van personeelsleden netjes vastprikken of kwaliteitssystemen die via een uitgebreide bureaucratie waken over procedures en spelregels in de onderneming. Beide zullen voortdurend door de realiteit achterhaald worden. Wie fetisjmatig aan hen blijft vasthouden zal onvermijdelijk ten onder gaan.
Tegenover de rationele onderneming staat een organische onderneming waar functies groeien uit de noodzaak van de taak en waar groepsleiders naar voren treden uit de praktijk van het samen dingen doen. Van Robaeys is er zich wel van bewust dat niet alle types ondernemingen evenzeer geschikt zijn voor de spontane aanpak die domineert in de organische onderneming. Kennisgedreven ondernemingen die steunen op kleine groepen komen hiervoor wellicht het best in aanmerking, grote industriële giganten veel minder. Fundamenten blijven nodig, we dienen te weten wie wat doet en waarvoor zij of hij verantwoordelijk is, informatie moet worden verzameld en bij het management belanden, al deze activiteiten vragen een zekere stroomlijning anders dreigt de cottage weg te zinken, maar het onderhoud van de cottage, haar overleven en eventuele verdere uitbouw gebeurt niet op basis van een groots architecturaal plan, veeleer op basis van kleine ingrepen door mensen die de lek in het dak merken, die kamers opruimen en de moed hebben het aangrenzend schuurtje om te turnen in een extra slaapkamer. Al deze volstrekt niet spectaculaire ingrepen houden de onderneming levend en dienen gevoed te worden en dat geldt niet enkel voor de kennisonderneming maar evenzeer voor de industriële gigant.
Wetenschappelijk bouwt dit kleine werkje voort op het pionierswerk van Mintzberg (en meer recent het werk van Robert Burgelman, Torben Andersen en anderen) die reeds decennia geleden vraagtekens plaatsten bij het mooie strategische plan. Vanuit zijn praktijkervaring weet de auteur op een verfrissende manier ondersteuning en concrete tastbaarheid te verlenen aan deze inzichten. |
|
| |
Luc Van Liedekerke |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|