| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Cartesiaans geloven. Een verhandeling over het cogito ergo sum. |
 |
 |
Pim WILLEMSEN |
| |
Leende, Damon- 2000 |
 |
| |
De successen van de natuurwetenschappen in de zestiende en de zeventiende eeuw impliceerden een boedelscheiding tussen geloof en weten. Het theocentrisme werd vervangen door het antropocentrisme. Geloven betreft een heilsboodschap en heeft betrekking op het bovennatuurlijke terwijl de wetenschap zich buigt over natuurlijke processen. De auteur betoogt in zijn korte verhandeling dat het cartesiaanse weten gedragen wordt door een zekerheid en een kracht die ontleend zijn aan een bepaalde vorm van geloven. Het betreft uiteraard niet onmiddellijk een expliciet geloof. In zijn laatste hoofdstuk confronteert de auteur het geloven van Augustinus met dat van Descartes.
Beide auteurs hechten belang aan het eigen inzicht als hoogste waarde. Daarenboven is kennis iets wat we zelf voltrekken en waar we zelf in zekere zin de bron van zijn. Tenslotte leidt het overnemen van autoriteiten zonder eigen inzicht tot niet-weten. De visies gaan echter uiteen wat betreft de verhouding tot de autoriteit. Augustinus meent dat de autoriteit belangrijk is als gids om ons te leiden naar de waarheid. Descartes verwerpt elke autoriteit omdat ze ons van eigen inzicht afhoudt. Het tweede verschil heeft betrekking op de twijfel. Terwijl de twijfel van Augustinus bepaalde inhouden betreft en de uitdrukking is van een gebrek aan geloof en vertrouwen, is de cartesiaanse twijfel een methodische twijfel die gedragen wordt door een streven naar inzicht en kennis. De twijfel wordt mogelijk door een fundamenteel vertrouwen of een cartesiaans geloof.
De auteur ontwikkelt zijn stelling in drie hoofdstukken. Een eerste hoofdstuk toont aan de hand van andere interpretaties dat het belangrijk is het cogito ergo sum niet uit zijn context los te rukken. Dit gebeurt wel in de interpretaties van de logische positivist Ayer, van Gassendi (een tijdgenoot van Descartes) en van Hintikka die onderscheid maakt tussen de inhoud van de zin en het uitspreken ervan. Het tweede en het derde hoofdstuk bespreken de twijfel en het Cogito en ook de problematiek van de dwaling. Het Cogito valt te begrijpen als een zelfreflectie van een wezen dat een eigen verantwoordelijkheid kan dragen voor zijn oordelen en overtuigingen. De mogelijkheid van de zelfverantwoordelijkheid verwijst naar een fundamenteel vertrouwen.
Het boekje houdt het midden tussen een inleiding tot Descartes' denken en een aanzet tot eigen interpretatie. Precies hierin ligt het voorbehoud dat kan gemaakt worden. Als inleiding tot de meditaties is het te onvolledig (enkel de eerste, tweede en vierde meditatie komen ter sprake; de problematiek van de godsbewijzen komt slechts zeer marginaal aan bod). Ook het eerste hoofdstuk is te uitvoerig en niet onmiddellijk relevant. Als eigen interpretatie wordt het niet gedragen door een discussie met de secundaire literatuur. Het standaardwerk van bijvoorbeeld Martial Guéroult zou de auteur zeker kunnen interesseren.
|
|
| |
Luc Anckaert |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|