| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 1999.
|
 |
 |
Jan VRANKEN, D. GELDOF, G. VAN MENXEL |
| |
Leuven, Acco, Leuven/Amersfoort- 1999 |
 |
| |
Dit is de achtste editie van het jaarboek Armoede en sociale uitsluiting onder redactie van Jan Vranken, Dirk Geldof en Gerard Van Menxel van de onderzoeksgroep Armoede, Sociale uitsluiting en Minderheden (CASUM) van de universiteit Antwerpen (UFSIA). Zoals steeds is het een bundel van het meest recente cijfermateriaal omtrent armoede in al haar vormen. Het wil ondanks de gedecentraliseerde aanpak van het armoedebeleid niettemin de kennis over de armoede groeperen en een forum bieden voor een wetenschappelijk en maatschappelijk debat over armoede, sociale uitsluiting en minderheden. Tevens tracht het naar eigen doelstelling voor de beleidsverantwoordelijken een gedegen overzicht te bieden en als richtingaanwijzer te dienen.
Het is tevens het eerste Jaarboek na de federale verkiezingen van 1999 en de vorming van nieuwe regeringen. Bijgevolg biedt het in dit verband niet meer dan een evaluatie van beleidsvoornemens en reeds gezette ijkpunten. Meer valt te verwachten van het pas verschenen Jaarboek 2000. Het achtste jaarboek heeft ten aanzien van de vorige edities een nieuwe structuur aangenomen. Dit is een beantwoording van de wens om uit de vroegere continue structuur te stappen en nu via een meer thematisch gerichte aanpak ruimte te bieden aan meerdere standpunten en aspecten die vroeger minder of niet aan bod kwamen.
Deze nieuwe aanpak is tevens een antwoord op de bevraging van de heersende vanzelfsprekendheden in het reeds gevoerde armoedeonderzoek. De grote kritiek van de onderzoeksgroep op het beleid alsook op het gevoerde onderzoek is de overwegende aandacht voor het economisch aspect van armoede, gemeten via inkomensindicatoren en geremedieerd via de opwaardering van het arbeidsethos en de reïntegratie in de arbeidsmarkt. Daarentegen is een van de klemtonen van het jaarboek de multi-aspectualiteit van het fenomeen.
Het corpus valt uiteen in vijf delen. In het eerste deel wordt de toon van het boek gezet. Na een kritische analyse van bestaande vanzelfsprekendheden in het armoedeonderzoek wordt gepleit voor een nieuwe onderzoeksagenda waarin de methodologische en kwantitatieve traditie van het `aantallen tellen' (hoeveel armen zijn er, waar ligt de armoedegrens) wordt aangevuld met inhoudelijke en kwalitatieve aandachtspunten (leefwereld, leefkwaliteit, levensverhalen, de `stem' van de arme). De thematische opzet van deze editie tracht hieraan tegemoet te komen. Niettemin is deel twee volledig een cijferanalyse volgens de klassieke lijn. De omvang en de spreiding van de armoede wordt gemeten aan de hand van economische indicatoren zoals inkomensverdeling, inkomensniveau, het aantal bestaansminimumtrekkers, sociaal tewerkgestelden en verleende bijstandsuitkeringen, de hoogte van de bestaansonzekerheidsdrempels, koopkracht en consumptie, etc.
Het derde deel wordt geopend met een analyse over arbeidsdynamiek en armoede, zodat men zich begint af te vragen of de voorgenomen afzwakking van het economisch-financiële perspectief überhaupt vorm zal krijgen. Het voornemen wordt echter geleidelijk ingevuld met de daaropvolgende thema's over onderwijs, wonen, gezondheid, recht, cultuur en hulpverleningstendensen. Er wordt aandacht besteed aan achterstellingsfactoren bij allochtonen in het onderwijs, oorzaken en beleving van functioneel analfabetisme bij autochtonen, specifiek etnische gezondheidspatronen en communicatieproblemen in de Belgische gezondheidszorg, psychologische aspecten van armoede en sociale uitsluiting, de tekortkomingen van het recht in de aanpak van armoede en de rol van cultuur in de armoedebestrijding.
De algemene inslag is de aandacht voor het belevingsaspect, het relationele element, samen met een kritische houding ten aanzien van bestaande tekortkomingen, voornamelijk in het recht en het woonbeleid alsook ten aanzien van de blijkbaar ijdele effecten van cultuurinitiatieven in de armoedebestrijding. Hieruit blijkt een grote aandacht voor doeltreffendheid. Dit komt ook sterk naar voren in het vierde deel waarin de ontwikkelingen in het armoedebeleid getoetst worden. De hoofdpijlers zijn deze van sociale activering, het gevoerde woonbeleid en de sociale rechtsstaat. Met betrekking tot deze pijlers wordt gewaarschuwd voor een beleid dat wordt geïmplementeerd via terugdringing van sociale rechten en via sterke contractuele verbintenis van rechten en plichten, kortom via een verdoken ondergraving van de maatschappelijke dienstverlening en dus van de solidariteit- en gelijkheidsgedachte.
Om dit tegen te gaan krijgt de zoektocht naar een hernieuwde fundering voor de armoedebestrijding ruimte in deel vijf. Het is een zoektocht naar de ethische grondslagen voor een nieuwe solidariteit. Zeer concreet wordt de vraag gesteld waarom we armoede en uitsluiting willen bestrijden? Waarom we solidariteit maatschappelijk willen organiseren en niet willen overlaten aan de caritas of aan de oplossingen van de markt. Waarom willen we afstand nemen van het individuele schuldmodel? Etc. In dit deel worden de onderliggende kaders voor ons denken over armoede geanalyseerd. Tegen de achtergrond van de erosie van de oude solidariteitsgedachte wordt de vraag gesteld welke rechtvaardigheidsgevoelens over juiste verdeling heersen, waar precies de grens ligt tussen rechtvaardigheid en weldadigheid, wat de inhoud kan zijn van de nieuwe integratiekaders, het nieuwe sociaal contract.
De grote lijn van de argumentatie wordt bepaald door ideeën over solidariteit als respect voor de waardigheid van de mens, over actief en constructief persoonlijk engagement, de collectieve verantwoordelijkheidsgedachte en de idee van partnerschap en open discussie. De kwaliteit van dit deel wordt bepaald door het hoge kritische en bevragende gehalte. Zo wordt de vraag gesteld of de heersende utilitaire geluksopvatting van het huidige welvaartsdenken wel zo zaligmakend is; naast de vraag wat `het goede leven' kan inhouden, anders dan een gewelddadige normalisatie en disciplinering van al wie niet aan het westerse mensbeeld beantwoordt. Of nog: integratie van de arme, ja maar waarin? Er is de vraag naar de legitimiteit van de rijkdom en naar het verschil tussen rechtvaardigheid en weldadigheid voor het waardigheidsgevoel van de zwakke.
Interessant is dat ook de ethiek zelf in vraag wordt gesteld. Hoewel enerzijds ethiek terecht aanzien wordt als onmisbaar voor het verkrijgen van inzicht in de fundamentele en oorspronkelijke doelen van de welzijnsorganisatie, wordt anderzijds gewezen op de mogelijke dubbelzinnigheid van de ethiek. Daar waar ethische principes dienen voor het verbergen van de machteloosheid tegenover de economie, wordt de economische context eenvoudigweg aanvaard en dient ethiek enkel als doekje voor het bloeden. De ethiek wordt hier op een plaats gezet die inhoudt dat het ethisch gehalte van een beleid noodzakelijkerwijze moet worden aangevuld met een doeltreffende aanpak.
Het jaarboek Armoede en sociale uitsluiting is een uitstekend referentiewerk over het armoedefenomeen. Het hoge kritische gehalte draagt hier zeker toe bij. De vernieuwde aanpak via thema's heeft haar eerste veruitwendiging goed doorstaan. Het is een eerste stap naar een daadwerkelijke invulling van de multi-aspectualiteit van het armoedeonderzoek. Een veelvoud van thema's inzake armoede worden grondig uitgespit. Niettemin wordt de problematiek hiermee op een veel complexere wijze in kaart gebracht. Dit hoeft geen probleem te zijn voor zover het armoedefenomeen in se multi-aspectueel is. Het vergt echter wel een grotere aandacht voor de latere invulling van nog niet behandelde thema's. Dit moeten de volgende jaarboeken uitmaken. |
|
| |
Bart Engelen |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|