| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Heel de wereld beschreven: Lucretius, Philo en anderen over kosmos, aarde en mens |
 |
 |
Tjitte Henk JANSSEN |
| |
Amsterdam, Boom- 2000 |
 |
| |
“Wereldbeeld” is een complex begrip met velerlei betekenissen en nuances. Eén van de problemen is dat dit concept afhangt van het wereldbeeld zelf van de beschouwer. Een relativering die weliswaar vooral in de moderne filosofie opduikt maar ook ons beeld van de Oudheid beïnvloedt. Deze klassieke Oudheid kende heel wat denkrichtingen. in de wijsbegeerte reuzen als Sokrates, Plato en Aristoteles naast de sofisten, stoïcijnen, epicuristen, cynici¼, wat de natuurwetenschappen betreft vooral de “materialisten” (misleidende term voor wie de primauteit van een bepaald element beklemtoonde), atomisten en de onderzoekers van het Alexandrijnse Mouseion. Toch waren er enkele termen die men als ondergrond voor een “wereldbeeld” zou kunnen betitelen: “kosmos”, “mundus”, “imago mundi”.
Heel de wereld beschreven van Tj. H. Janssen is in de eerste plaats een bloemlezing. Niet gans de Oudheid wordt omspannen maar de periode 100 voor tot 100 na Christus, wat toelaat ook joodse en christelijke stemmen te laten horen: Philo van Alexandrië en het Nieuwe Testament. De samensteller-vertaler heeft de omvangrijke stof ingedeeld in negen themata. Een eerste geeft opvattingen over kosmogonie, het ontstaan van “de wereld”, met veel ruimte voor Lucretius en Philo (commentaar bij Genesis).
Het tweede hoofdstuk handelt over kosmologie, vooral aan de hand van de veelzijdige Plinius de Oudere en Lucretius (De Rerum Natura). Het derde is gewijd aan het einde der tijden, eschatologie waarbij opvalt dat o.m. de stoïcijnen maar ook –met andere accenten- Epicurus en Lucretius geloven in een soort Big Shrink of uiteindelijke ontbinding, voor de Stoa het begin van een nieuwe cyclus. In deel vier speelt Strabo de hoofdrol: geografie van de aarde, met zowel ethische als politieke overwegingen.
Dit wordt doorgetrokken in het vijfde deel “De aarde en haar contouren” met enkele antropologische beschouwingen over “primitieve” rassen (volgens Pomponius Mela vaak krachtig-superieur, volgens Tacitus soms dierlijk) en het probleem van de niet-Romeinse goden. Hoofdstuk zes belicht de (Romeinse) mens, een gespleten wezen volgens Cicero, Seneca, Ovidius e.a. “De eerste mens” (zeven) roept vragen op over het onstaan van de beschaving (navolging van de natuur of te danken aan menselijk vernuft) en de mogelijkheid van vooruitgang (ontkend door de stoïcijnen, tenzij individuele vergeestelijking). Etnografie komt aan bod in hoofdstuk acht: de barbaarse volkeren, in casu de Scythen, Parthen, Libyers, Kelten en Germanen en hun “pacificatie” (Tacitus, Caesar, Sallustius e.a.). Wat leidt tot het slot “Roma, Regina Mundi” waarbij aandacht gaat naar het agrarische aspect (versmald tot militaire logistiek) en het urbane (vooral stedenbouw).
Als bloemlezing is dit boek alleszins verdienstelijk. Een synthese echter ontbreekt, de inleiding gaat niet verder dan de gebruikelijke clichés over geocentrisme (en Aristarchos?) en antropocentrisme (niet houdbaar voor de meeste filosofische stromingen die de huidige ego-pretenties en het sciëntisme niet huldigen, men kende de mens slechts een bescheiden plaats toe in de kosmos). Anderzijds zijn de vertalingen verzorgd, evenals de annotaties. De samensteller was eerder geneigd tot een relatief getrouwe vertaling (o.m. voorgestaan door Ida Gerhardt) dan tot een populair soort spreektaal-Nederlands (à Paul Claes); poëzie kreeg –omwille van metrische problemen- een prozabewerking. Hopelijk durft Janssen ooit een bloemlezing met grotere envergure aan.
|
|
| |
Hans Devroe |
 |
| Andere Boekbesprekingen |
 |
|
|