| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| December - Nummer : 4/2006 |
| |
| Woord vooraf. Perceptie en realiteit |
| Bart Pattyn |
| |
Pagina : 345 - 347 |
 |
| |
Men zegt wel eens 'alles is perceptie', waarmee men suggereert dat wat zich feitelijk voordoet, weinig verschil maakt. Het is maar hoe je het bekijkt. Zo werden de voorbije gemeenteraadsverkiezingen in de media voorgesteld als de verkiezingen waar men in Antwerpen een dam heeft opgeworpen tegen de onverdraagzaamheid. Iedereen leek opgelucht. Er was weer hoop. Een negatieve tendens was omgebogen. Publieke perceptie kan beslissende consequenties hebben, zoals bijvoorbeeld bij de eerste verkiezing van president Bush in de Verenigde Staten. De perceptie dat Bush Al Gore had verslagen was uiteindelijk doorslaggevend.
Ondanks de perceptie confronteren de cijfers van de jongste verkiezing ons met een andere realiteit. Ongeveer één op vijf mensen lijkt zich niet op een positieve manier met onze samenleving te kunnen identificeren. Dat getal is in de voorbije jaren drastisch toegenomen. Misschien is twintig procent inderdaad een verzadi-gingspunt, maar zeker is dat niet. Het blijft in elk geval een boeiende vraag waarom in een land met de beste sociale voorzieningen een miljoen mensen ontevreden zijn. Het kunnen niet uitsluitend materiële tekorten zijn die mensen ontevreden maken, want het aantal landen waarin de bevolking met meer armoede te kampen heeft is bijzonder groot. Ontevredenheid lijkt veeleer het resultaat van een gebrek aan vertrouwen in het belang van het eigen bestaan. Ieder individu vindt de moed om zich in dit leven te handhaven omdat hij of zij iets representeert of iets realiseert dat hij of zij zelf de moeite waard acht. Dat kan om het even wat zijn. Meestal gaat het om erg eenvoudige zaken. Men is belangrijk omdat men zich voor iets of iemand verantwoordelijk weet, of omdat men voor iemand anders van betekenis is. Soms gaat het ook om ‘grote’ zaken: een job met verantwoordelijkheid of een functie waardoor men een dieper spoor trekt in de geschiedenis dan dat van een doorsnee-burger. ‘Groot’ blijkt vaak relatief in het aanschijn van de eeuwigheid, toch voegt door anderen belangrijk te worden beschouwd iets toe aan iemands zelf. Om het even door welke zorg of functie mensen zichzelf beschouwen als mensen die iets te betekenen hebben, niemand kan zonder anderen. We bekijken immers altijd onszelf alsof we onszelf bekijken door de ogen van anderen. Hoe concreter hun respect en aandacht, hoe eenvoudiger het is om te leven bij gratie van de overtuiging een gewaardeerd leven te leiden. Respect lijkt erin te bestaan zich te kunnen voorstellen dat de zorg die iemand anders opbrengt of de projecten die iemand anders aangrijpt voor hem of haar de moeite waard zijn. Respect lijkt te berusten op de bereidheid om zich met iemand anders te vereenzelvigen en zich in te denken hoe het leven zinvol kan zijn vanuit zijn of haar perspectief. Het veronderstelt niet dat men noodzakelijkerwijze moet willen zijn zoals de andere. Het volstaat zich te kunnen inbeelden hoe de drive die iemand anders op de been houdt, ook jezef zou kunnen motiveren. Respect geldt als een soort bevestiging van wat iemand anders als de zin van zijn bestaan beschouwt en die bevestiging draagt bij tot de zelfzekerheid van de betrokkene. Men kan ook respect opbrengen voor groepen of voor de samenleving waarin men leeft. Respect opbrengen voor de eigen gemeenschap betekent dat men de zin van publieke projecten en gemeenschappelijke voorzieningen erkent, ook als die projecten niet overeenkomen met wat men persoonlijk belangrijk vindt.
Het omgekeerde van respect kan twee verschillende vormen aannemen. Ofwel is het onverschilligheid. Ofwel bestaat het uit ressentiment. In het eerste geval kan het gaan om preoccupatie met zichzelf, lompheid of autisme, in het tweede geval gaat het vaak om een gekwetst ego dat zich afzet tegen zijn belagers of tegen om het even wie of wat die dat hindert of in de weg zit. Dat zoveel mensen zich vandaag op een negatieve manier identificeren met hun samenleving moet te maken hebben met het feit dat ze gekwetst zijn; dat hun projecten niet worden erkend. Het is niet fair hun te verwijten dat ze niet in een straat wonen zonder haat. Het is precies dit soort verwijten dat hen in een straatje zonder einde gevangen houdt.
Het is passend om in tijden van verkiezingen de morele waarde van het stemrecht aan de orde te stellen. Hoewel veranderingen aan de kieswet vaak worden voorgesteld als technische kwesties, zijn ze dat niet. Wie aan de kieswet sleutelt, sleutelt meteen ook aan de morele visie waarop de 'opkomstplicht' is geënt. Marc Hooghe zet de elementen van de discussie op een rijtje. De bijdrage van Maureen Junker-Kenny cirkelt rond de vraag hoe politieke consensus tot stand kan komen. Is consensus een kwestie van machtsevenwicht of zijn mensen die met elkaar in discussie treden als gelijkwaardige partners in staat verder te gaan dan zuiver belangenverdediging? Kunnen mensen – zoals Habermas gelooft – overeenstemming bereiken wanneer ze de redelijkheid van het eerlijke gesprek ten einde toe voeren? Of is er enkel overeenstemming mogelijk wanneer hun uitgangspunten overlappen, zoals Rawls beweert? Of nog, bestaat er zoiets als objectieve morele gronden die ieder redelijk mens tot het goede zal doen besluiten, ook buiten een democratisch gesprek om, zoals kardinaal Ratzinger, de huidige Paus Benedictus XVI, in discussie met Habermas heeft beweerd? Het is een boeiende discussie waarvan de uitkomst van belang is. Vandaag wordt het vertrouwen in de democratische discussie immers ondermijnd door de overtuiging dat waarheid volstrekt relatief is en dat overeenstemming enkel kan worden bereikt op basis van meerderheidsregels.
Naast deze twee bijdragen die te maken hebben met het democratisch systeem op zich, gaan de twee volgende bijdragen over een specifieke politieke discussie waarin de vraag naar consensus uitdrukkelijk aan de orde was en is: de euthanasiekwestie. Bert Broeckaerts betrachting is een helder begrippenkader aan te reiken dat er moet toe bijdragen om in het gesprek daarover zoveel mogelijk misverstanden te vermijden. Herman De Dijn snijdt het thema radicaler aan. Hij pleit voor het respect voor menselijke waardigheid, terwijl hij beseft dat die waardigheid in geen enkel rationeel kader gevat kan worden. Dat doet echter niets af aan het feit dat dit betoog overtuigend is. Verder vindt men in dit nummer teksten die werden opgemaakt in het kader van het project Wetenschap en Ethiek van het voorbije academiejaar, waarin wetenschapsbeoefening in verband werd gebracht met de zorg voor waarheid.
Tussen het nieuws van de centra vinden we de pertinente reactie van Paul Schotsmans naar aanleiding van de discussie over stamcelonderzoek. Het voorliggende nummer getuigt op die manier opnieuw dat de ethische reflectie meer is dan het voorwerp van kamergeleerden.
|
 |
|
|
|
Recentste uitgave 19 (2009) 1 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|