| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Juni - Nummer : 2/2007 |
| |
| Woord vooraf |
| Bart Pattyn |
| |
Pagina : 79 - 80 |
 |
| |
De invasie in Irak duurde slechts 44 dagen (van 19 maart tot 1 mei 2003). Tijdens de invasie werden er ongeveer 7.400 burgers gedood. In de periode die daarop volgde, zijn er tot op vandaag meer dan 59.000 burgers omgekomen door oorlogsgeweld (bomaanslagen, ontvoeringen en beschietingen). Wanneer men de slachtoffers van de invasie zelf niet meetelt zijn er in het laatste jaar vier keer meer mensen gestorven dan in het eerste jaar. Het conflict wordt met andere woorden grimmiger. Het wordt meer en meer duidelijk dat de oorlog van Irak is uitgelopen op een nachtmerrie. Het betreft een oorlog die men had moeten vermijden.
Dat is ook de conclusie van de bijdrage van Michael Walzer, specialist op het terrein van de theorie van de rechtvaardige oorlog. Volgens Walzer lagen er tal van andere opties open, om het onmenselijke karakter van het bestaande regime te beteugelen, maar er is doelbewust geopteerd voor een gewapend conflict.
In de bijdrage van Harry Kunneman maken we kennis met de verschillende paradigma’s op basis waarvan men sociaal werk evalueert. Er is een tendens om de inzet van sociale werkers te rationaliseren en te controleren op basis van objectieve meetschalen. Het is een tendens die zich trouwens in allerlei domeinen doorzet. Kunneman toont in zijn bijdrage aan dat het wetenschappelijke aura dat men dit soort aanpak toeschrijft achterhaald is en dat een correcte analyse van wat op het werkveld gebeurd een bredere aanpak veronderstelt. Het meest interessante wetenschappelijke onderzoek is reeds geruime tijd niet langer disciplinegebonden maar berust op samenwerking en diversiteit aan visies. In plaats van blind over te gaan tot eenzijdige empirische metingen is er nood aan een brede bezinning op wat sociaal werk impliceert.
Twee bijdragen hebben betrekking op pedagogische bekommernissen. In de bijdrage van Hans van Crombrugge wordt de vraag gesteld in welke zin morele opvoeding ook betrekking moet hebben op het aanleren van beleefdheidsregels. De klacht dat het jongeren ontbreekt aan een fatsoenlijke omgangsstijl heeft de auteur er toe aangezet na te gaan wat het verband is tussen etiquette en ethiek.
In de bijdrage van Geert Van Coillie wordt gepleit voor een verdieping van het onderwijs. Onderricht moet meer zijn dan objectieve kennisoverdracht. Feiten en theorieën kennen veronderstelt immers niet noodzakelijk dat men inziet wat er precies op het spel staat. Het is pas als men oog krijgt voor de diversiteit van benaderingen en uitgenodigd wordt om zelfstandig na te denken dat onderwijs diepgang krijgt. Volgens de auteur beantwoordt elke uiteenzetting aan een voorlopig geaccepteerde ordening (logos), die zich manifesteert tegen de dreiging van wanorde (pathos) en die zich opponeert tegenover alternatieve ordeningen die de manifeste opinie in een ander daglicht stellen (ethos). Deze drie aspecten van een uiteenzetting moeten in het onderwijs aan bod komen. In een leersituatie is zelfzekerheid misplaatst. Er moet recht worden gedaan aan ‘dialogeren’ wat in het oorspronkelijke Grieks zoveel betekende als ‘het verschil verwelkomen’.
Men vindt in dit nummer ook een uitvoerige bespreking door Paul Moyaert van een recent boek van Herman De Dijn: Religie in de 21ste eeuw. De Dijn heeft een bijzonder respect voor religie. Er is nagenoeg niets dat mensen meer troost en verzoening kan bieden dan religie. Moyaert legt in zijn bespreking uit dat de waardering voor religie van De Dijn berust op een analogie. De Dijn is er op basis van zijn filosofisch onderzoek van overtuigd dat de betekenis van onze leefwereld en het vertrouwen dat we stellen in de zin van wat we ondernemen niet berusten op een materieel vaststelbare ordening, een biologische feitelijkheid of een rationeel achterhaalbare logica. De onderscheidingen die in onze cultuur gelden, stellen een ordening in die het mogelijk maakt zaken te waarderen zoals vriendschap, trouw en ontzag voor een overledene: zaken die de materiële werkelijkheid overstijgen. Zoals wetenschap de zin die door een cultureel betekenissysteem wordt gecreëerd noch kan verklaren, noch kan loochenen, zo kan wetenschap ook religie niet verklaren of loochenen. De Dijn kan het niet vinden met intellectuelen die zich geen of onvoldoende rekenschap geven van het belang van het culturele betekenissysteem waarin religie is ingebed. Hij begrijpt de zin niet van hun pogingen om het particuliere karakter van een religie te expliciteren. Voor hem is religie een eerbiedwaardige instelling die mensen in staat stelt om zich te verzoenen met het onvermijdelijke. Moyaerts bespreking nodigt uit tot verdere vraagstelling zoals bijvoorbeeld: “Wat is de feitelijke betekenis van het begrip ‘overstijgen’ in De Dijns uiteenzettingen?” of “Als religie ongenaakbaar is voor wetenschappelijke reflectie, waarom vormt Darwin in de ogen van zoveel gelovigen een bedreiging?”
Dit nummer wordt afgerond met nieuws uit de diverse centra voor ethiek, vooral uit het Centrum voor Ethiek van de Radboud Universiteit Nijmegen en diverse boekbesprekingen.
|
 |
|
|
|
Recentste uitgave 18 (2008) 4 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|