| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Juni - Nummer : 2/2007 |
| |
| Onderwijzen zonder wijzen?
De onderwijskunde voorbij. Filosofisch-ethische reflecties |
| Geert Van Coillie |
| |
Pagina : 120 - 142 |
 |
| |
Geert Van Coillie pleit voor een verdieping van het onderwijs. Onderricht moet meer zijn dan objectieve kennisoverdracht. Feiten en theorieën kennen veronderstelt immers niet noodzakelijk dat men inziet wat er precies op het spel staat. Het is pas als men oog krijgt voor de diversiteit van benaderingen en uitgenodigd wordt om zelfstandig na te denken dat onderwijs diepgang krijgt.
Volgens de auteur beantwoordt elke uiteenzetting aan een voorlopig geaccepteerde ordening (logos), die zich manifesteert tegen de dreiging van wanorde (pathos) en die zich opponeert tegenover alternatieve ordeningen die de manifeste opinie in een ander daglicht stellen (ethos). Deze drie aspecten van een uiteenzetting moeten in het onderwijs aan bod komen. In een leersituatie is zelfzekerheid misplaatst. Er moet recht worden gedaan aan ‘dialogeren’ wat in het oorspronkelijke Grieks zoveel betekende als ‘het verschil verwelkomen’.
Op basis van Aristoteles' retorische inzichten tekent de auteur een ternaire patho-etho-logie uit als mogelijk interpretatieschema voor een veelheid van aspecten en vraagstellingen omtrent de menselijke situatie.
De eenheid van de wereld staat dus in relatie tot een niet te reduceren drieheid. De altijd voorlopige vaste ordening (logos) van de cultuur kan maar standhouden tegen de permanente dreiging van destructie en wanorde (pathos) dankzij de 'de-constructieve' en creatieve speelruimte van de relatieve orde (ethos).
De experimentele leefwereld van de school en de klas bevindt zich tussen stabiliteit en chaos in de open, beweeglijke en delicate – kwetsbare en kritieke – middensfeer van de ethische 'dia-logos'. De oudste betekenis van dialegein in het Grieks luidt: "to welcome the difference". Het verschil bepaalt Levinas paradoxaal als 'niet-on-verschilligheid' (non-in-différence) of ethische nabijheid.
"Het verschil tussen het Ik en de Ander wordt tot niet-onverschilligheid van het Ik voor de Ander."
Binnen de optiek van de geesteswetenschappelijke pedagogie heet cultuur "de specifieke modus van de menselijke existentie". Het verbrokkelen van de eenheid van de objectieve cultuur (renaissance en humanisme) en de eigentijdse bedreiging van de mens in zijn totaliteit door een tweevoudig subjectivisme (individualisme en collectivisme) noopt volgens Valeer Van Achter tot een herijking van het begrip 'cultuur' in een postmoderne context. Het intensifiëren en radicaliseren van de betekenis van het prefix 'dia-' in het sleutelbegrip 'dialoog' kan ons inziens de aanzet zijn tot een noodzakelijke antropologische verdieping van de hermeneutisch-dialogale pedagogie. Radicaal zijn, schrijft Marx, is de zaak bij de wortel aanpakken. Voor de mens nu is de wortel de mens zelf.
Met name de homo imitans die als wezen van nabootsing en bemiddeling vanaf het allereerste begin verwikkeld is in een ambigu 'met-en-tegen-elkaar-zijn'. Die tussenmenselijke realiteit wordt door Heidegger scherpzinnig vastgesteld, maar meteen ook veilig verbannen naar het domein van het 'men' en de vervallenheid als tegendeel van het eigenlijke zelf-zijn. "Het met-elkaar-zijn (Miteinandersein) in het men is allesbehalve een afgesloten, onverschillig naast elkaar voorkomen; het is veeleer een gespannen, ambigu op-elkaar-letten, een elkaar heimelijk bespioneren. Onder het mom van het voor-elkaar speelt een tegen-elkaar (Gegeneinander)."
De miskenning van het vijandige tegen-elkaar is de blinde vlek van het speculatieve denken dat de Grieken beschouwen als het hoogste humane vermogen. De voortgang van de cultuur kunnen we in antropologisch-ethisch perspectief lezen als het voortdurende transformatie- en regeneratieproces – de constante menselijke poging tot bezwering, beteugeling en omwerking – van het oorspronkelijke geweld. |
 |
337,50 Kb |
 |
|
|
|
Recentste uitgave 23 (2013) 1 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|