Ethische Perspectieven 17 (2007) 4
Competentiegericht onderwijs: voor wie? Over de ‘kapitalistische’ ethiek van het lerende individu
Jan Masschelein
Maarten Simons
Het doel van deze bijdrage was om de vraag te beantwoorden: voor wie zijn competenties nodig?
We hebben willen aantonen dat het belang van competenties en competentiegerichtheid samenhangt met de kapitalisering, responsabilisering en ‘managementalisering’ (van het leven en) van het leren, die eigen zijn aan een ondernemend individu dat voortdurend op zoek is naar toegevoegde waarde (en dus zich zelf mobiliseert) in een netwerkomgeving, waarin het menselijk kapitaal kan worden ingezet, maar dat omgekeerd zelf ook oproept om competenties te ontwikkelen en te mobiliseren, d.w.z. te leren.
Het zijn de ondernemende student, de ondernemende (hoge)school en haar ondernemende docenten die competentiegericht onderwijs ‘verdienen’ (nodig hebben). Voor iemand die op een ondernemende wijze kijkt naar zichzelf (als een geheel van competenties), anderen (als concurrent of partner) en de wereld (als omgeving), is er nood aan dat soort onderwijs. Iemand die vanuit een investerende, pro-actieve houding naar de toekomst kijkt, heeft nood aan een onderwijsinfrastructuur waarin men met kennis van zaken kan kiezen en waarin men competenties kan mobiliseren en te-werk-stellen, waarin portfolio’s, talentenfoto’s en andere instrumenten voor competentiebeheer worden aangeboden.
Ondernemende studenten en hogescholen voelen zich thuis in een onderwijsinfrastructuur met vergelijkbare graden, waarin men krediet kan opbouwen en rekening houdt met de toegevoegde waarde voor de lerende, en die mobiliteit van competenties en hun dragers garandeert.
De hele hervorming van het (hoger) onderwijs gaat voor hen inderdaad niet gepaard met enige druk of dwang; het is iets dat men wil, of liever, dat noodzakelijk is om te overleven.
Maar toch wordt op verschillende plaatsen druk ervaren. Op verschillende plaatsen zijn er stemmen van onbehagen en verzet. Is dit enkel omdat men de gemeenschappelijkheid en verandering miskent? Is dit enkel omwille van een soort van conservatieve reflex, een blindheid voor de realiteit of een onverantwoordelijke houding tegenover onze (Europese) toekomst? Kan het niet zijn dat het voelen van druk voortkomt uit het feit dat we geen ondernemers van onszelf willen zijn, dat we ons niet thuis voelen in een infrastructuur voor het produceren, mobiliseren en te-werk-stellen van competenties en dat ons tijdsbesef niet samenvalt met een investerende, pro-actieve houding naar de toekomst toe?
We hebben ook willen aantonen dat het leren geen fundamentele kracht of geen fundamenteel proces is, maar dat het het ondernemende individu is (of wijzelf voor zover we ons verstaan als ondernemende individuen) dat het leren als dusdanig ervaart, en dat de historische voorwaarde voor deze ervaring van het leren (als vorm van kapitaal, als wat beheerd moet worden en als datgene wat onze verantwoordelijkheid is) gevormd wordt door een specifieke denkruimte en een specifieke bestuurlijke configuratie.
Het kijken naar het leren als een voorwaarde van onze vrijheid, betekent het vergeten dat leren vanaf het begin zowel effect als instrument is van ons actueel voortgezet liberaal bestuursregime. We vinden het daarom van belang om bij wijze van besluit te wijzen op de ironie van het leerdispositief binnen dit bestuurlijk regime: het doet ons geloven dat het om onze vrijheid gaat (zie Foucault 1976).
Misschien moeten we ons bevrijden van het leren, dat wil zeggen, van de ervaring dat het leren een fundamenteel vermogen is dat noodzakelijk is voor onze vrijheid en voor het collectieve welzijn. En misschien betekent dit in de eerste plaats en vooral dat we weerstand moeten bieden aan de intellectuele en bestuurlijke beweging om onze eindigheid toe te eigenen, aangezien dat is waar het om gaat in het leren (en in het ondernemerschap).
Maar onze eindigheid tegemoet treden zonder toe-eigening, onze eindigheid als dusdanig ervaren en de comfortabele ethiek van zelfmobilisering en kapitalisering weerstaan, lijkt een uiterst oncomfortabele positie te impliceren. Het zou kunnen dat het de mogelijkheid is van deze oncomfortabele positie, of misschien beter ex-positie of uit-positie-zijn, die we uit het gezicht verliezen wanneer we geobsedeerd zijn door leren. En misschien is het precies dat waar het in e-ducatie om gaat: buiten zichzelf geleid worden, blootgesteld zijn.
Pagina : 398 - 421
