| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Maart - Nummer : 1/2009 |
| |
| Voorwoord: Transparant beslissen |
| Bart Pattyn |
| |
Pagina : 1 - 3 |
 |
| |
In de Ethica Nicomachea suggereert Aristoteles dat de nauwkeurigheid van een oordeel afhankelijk is van wat binnen een gegeven discipline haalbaar is. Zo kan je in het domein van de meetkunde iets met wiskundige zekerheid beoordelen, terwijl je in een onderzoek over ethiek door de aard van het onderwerp met minder zekerheid tevreden zal moeten zijn. Je hoeft echter geen filosoof te zijn om te beseffen dat er veel beslissingen zijn die je enkel kan nemen op goed geluk. Tal van besluiten hebben immers consequenties die je niet tot in de laatste details kan voorzien en je zal nooit alle aspecten van een waardeoordeel transparant kunnen maken.
Het vertrouwen in het verstandige oordeel van ‘goede huisvaders’ lijkt echter zoek en de onvrede met de onbeheersbare aspecten van beslissingen neemt schijnbaar toe. Men probeert in elk geval de subjectieve aspecten van de besluitvorming zoveel mogelijk te elimineren. Men zorgt er bijvoorbeeld voor dat beslissingen beantwoorden aan op voorhand gedefinieerde beoordelingscriteria, of dat vonnissen haarfijn afgeleid worden van de positieve bepaling. Om alle subjectieve vooringenomenheid uit te sluiten, probeert men de persoonlijke verantwoordelijkheid van de beoordelaar zoveel mogelijk weg te cijferen. Beslissingen worden genomen op basis van vooraf ontworpen procedures, waardoor men besluiten kan nemen terwijl men de handen wast in onschuld. Wie de regels volgt, kan immers niets verweten worden. Eens de procedure werd gerespecteerd, hoeft de rechter zich er niet meer om te bekommeren of zijn vonnis rechtvaardig is, hoeft de docent bij het quoteren geen rekening te houden met wat inzicht veronderstelt, hoeft de journalist zich geen vragen te stellen over de morele impact van zijn berichtgeving, hoeft de personeelsverantwoordelijke geen beroep te doen op zijn mensenkennis en hoeft de schatbewaarder niet meer na te gaan of een investeringsproduct werkelijk betrouwbaar is. In elk van deze gevallen zijn er immers wetten, regels of procedures die wanneer ze gerespecteerd worden het persoonlijk oordeel overbodig maken. Niets lijkt op te wegen tegen een systeem waarin men geen rekening hoeft te houden met gevoelens of intuïties en waarin alles helder en duidelijk omschreven is. Een dergelijk systeem is transparant en bij schadeclaims of aantijgingen kan men zich sluitend verantwoorden door erop te wijzen dat men de procedure nauwlettend heeft gevolgd of dat men heeft geoordeeld naar de letter van de wet. En als gevraagd wordt of dit soort beslissingen wel rechtvaardig is, dan kan men antwoorden dat men het verstandig vindt het eigen oordeel over wat rechtvaardig is achterwege te laten, omdat geen enkel individu aanspraak kan maken op het juiste besef van wat rechtvaardig is.
Er zijn omstandigheden waarin de objectiviteit van het recht houvast biedt en er zijn beslissingen waarbij men er goed aan doet een beroep te doen op spijkerharde criteria, maar aan alle vormen van engagement zijn limieten. Wie morele principes tot in het extreme doortrekt, houdt meer van abstracte rechtlijnigheid dan van concrete mensen. In een gemeenschap waarin men massaal investeert in objectieve procedures om willekeur in te dijken en waarin men er alles aan doet om zich tegen onvoorziene schade te verzekeren, creëert men meer willekeur en loopt men grotere risico’s dan men zich wil en durft realiseren. In de financiële wereld bijvoorbeeld heeft men de voorbije dertig jaar massaal geïnvesteerd in risicobeheer. Risico’s werden mathematisch ingecalculeerd, verzekerd of doorverkocht, waardoor het systeem op papier de indruk gaf onverwoestbaar te zijn. Op dezelfde manier heeft men de voorbije jaren kennisproductie proberen kwantificeren om zich te kunnen verzekeren van het rendement van de investeringen met betrekking tot onderzoek en innovatie, maar het is sterk betwijfelbaar of dit het kritisch potentieel van academici werkelijk heeft doen toenemen. Formeel beantwoorden aan regels impliceert niet noodzakelijk een beantwoorden aan wat men met die regel heeft willen bereiken. Ook op juridisch vlak pleit men voor striktere toepassingen van de wet en een steeds nauwkeurigere regelgeving om willekeur in te dammen en geen duimbreed toe te geven aan subjectieve opties, maar die ingesteldheid maakt het rechtssysteem niet meteen soepeler en geeft alvast aan de buitenwereld de indruk dat recht en rechtvaardigheid niet goed op elkaar zijn afgestemd.
Het wantrouwen ten aanzien van de onbeheersbare aspecten van een verstandig oordeel heeft een paradoxaal karakter, omdat dat wantrouwen gevoed wordt door het soort motieven dat men wil bestrijden. Het motief om de strijd aan te binden met de duistere aspecten van een oordeel heeft immers veel gemeen met het motief om zoals de aartsengel Michael het gevecht aan te gaan met de draak. Het engagement voor transparantie geldt als een vorm van terror management: een strijd tegen de verschrikking van chaos, verval, dood en verderf.i Het zelfrespect dat men aan dit soort inzet ontleent, lijkt te wapenen tegen wanhoop. Pleitbezorgers voor objectieve beslissingsprocedures lijken in dit opzicht op zendelingen. Hun geloof maakt het moeilijk om hen duidelijk te maken dat hun engagement tot meer collateral damage leidt dan ze zich realiseren. Voor hen geldt de strijd als een houvast en daar doe je geen afstand van zolang je niet wakker wil worden. Objectieve regelgeving is belangrijk maar er is aan elke optie een grens, en het komt er, zoals Aristoteles suggereert, op aan voor de nauwgezetheid te opteren die past bij het vraagstuk dat men wil bespreken.
Dit nummer van Ethische Perspectieven vormt in zekere zin een dubbel themanummer. In de eerste plaats zijn er verschillende artikels over de ethische kant van de economische en financiële crisis die we nu beleven. Zo bespreekt Justin Welby de ethische kant van financiële derivaten en risicobeheer. Jos Leys verheldert een aantal door de media onjuist gebruikte begrippen die de onduidelijkheid vergroot hebben, zoals speculeren, ratingbureaus en short selling, terwijl Luc Van Liedekerke een aantal problematische macro-economische en bedrijfsorganisatorische tendensen onder de loep neemt. Verder geeft Paul De Grauwe een korte schets van hoe economie als wetenschappelijke discipline functioneert binnen een dergelijke crisis. Ook in de sfeer van financiën vinden we daarnaast een pleidooi voor het invoeren van een basisinkomen van de hand van Kris Hardies
Het tweede thema komt voort uit de Politeia-conferentie van het voorjaar van 2008, waarop verschillende sprekers in dialoog gingen met Martha Nussbaum over de plaats van religie in de samenleving. De lezing van Herman De Dijn werd al eerder gepubliceerd in Ethische Perspectieven 18:3 (2008). In dit nummer volgen de lezing van Marianne Moyaert, ‘Religie in de publieke ruimte: Erkenning, kwetsbaarheid en verscheurdheid’, en een vertaling van de lezing die door Martha Nussbaum zelf werd uitgesproken. |
 |
|
|
|
Recentste uitgave 19 (2009) 1 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|