| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| December - Nummer : 4/2012 |
| |
| Voorwoord |
| Jelle Zeedijk |
| |
Pagina : 261 - 262 |
 |
| |
De Europese Unie heeft de Nobelprijs voor de vrede gekregen omdat ze al zoveel jaren op een duurzame wijze vrede waarborgt tussen verschillende landen die historisch gezien zolang op voet van oorlog met elkaar geleefd hebben. De laatste jaren kenmerkt de Unie zich met de verdieping van de financiële crisis tot een schuldencrisis echter door gespannen en soms vijandige houdingen tussen de verschillende partners. Deze vrede lijkt, met een parafrase van de beroemde formule, soms op een oorlog, voortgezet met andere middelen. De schuldencrisis die tot ingrijpende maatregelen noopt zowel in Zuid- als Noord-Europa, heeft haast in alle Europese landen de politieke verhoudingen veranderd, en heeft voor een politieke crisis gezorgd in de zin dat we met vragen geconfronteerd worden die in de politieke constellatie vroeger maar weinig urgent waren. De vraag naar een sociale Europese Unie en Europese solidariteit komen in de huidige vorm bijvoorbeeld rechtstreeks voort uit het feit dat we een muntunie vormen.
Volgens Frank Vandenbroucke is de vorming van een sociale unie geen luxe, maar een kwestie van overleven voor de Europese Unie. In zijn bijdrage schetst hij vier argumenten die samen duidelijk maken dat je over deze vragen eigenlijk niet anders dan genuanceerd kan denken. Wie de verscheidenheid van de landen die samen het Europa van vandaag vormen in rekenschap brengt, zal zich realiseren dat er geen eenduidige antwoorden zijn, en dat we de lasten van de unie niet eenzijdig kunnen afwentelen op landen die, omdat ze in de vuurlinie van de financiële markten liggen, alle recht van spreken verloren lijken te zijn. Het lijkt onbetwistbaar dat de Europese economieën sterke hervormingen moeten doorvoeren om hun financiële huishoudens terug op orde te krijgen, maar de analyse van Vandenbroucke suggereert dat Europese solidariteit wederkerigheid veronderstelt en dat Noord-Europa deze hervormingen alleen kan vragen van Zuid- en Oost-Europa in de mate dat het zelf bereid is om deze hervormingen ook mogelijk te maken en kans van slagen te geven. Het risico dat een Unie zonder dergelijke solidariteit loopt, is dat de hervormingen slechts botte korte-termijnbesparingen zullen zijn die ten koste gaan van de lange-termijn, terwijl die lange-termijn juist vraagt om een ‘sociaal investeringsbeleid’.
Andrew Levine bespreekt de spanningen en onderlinge verbanden die vandaag zo actueel zijn tussen democratische politieke instituties en de markteconomieën. Al minstens anderhalve eeuw wordt er over deze spanning tussen de democratie en de markt nagedacht en geschreven, maar de ontwikkelingen van de laatste decennia met het forfait van het socialistische project, de afkalving van het soeverein gezag en de toenemende ongelijkheid, maken volgens Levine dat de oude kaders waarin deze spanning gedacht werd, aangepast moeten worden aan die nieuwe realiteit. Hoewel het nog te vroeg is om politiek-filosofische conclusies te trekken is het niet direct hoopgevend dat in deze hervormingen gevestigde democratische verworvenheden ter discussie staan. Tegen de antidemocratische druk van de markten in verdedigt Levine de radicaal democratische onderstroom.
Vanuit een heel andere achtergrond ontwikkelt Jurn de Vries ook gedachten die raken aan de thematiek die in dit nummer centraal staat. Hij toont hoe de verhouding tussen schuldeisers en schuldenaren niet alleen een hedendaags probleem vormt, maar hoe we hiervoor reeds in de Bijbel talloze richtlijnen vinden. Dit theologische perspectief belicht schulden als een moreel probleem en onderzoekt welke ethische – naast financiële – overwegingen hierbij een rol zouden moeten spelen.
We openen dit nummer van Ethische perspectieven echter met de getuigenis die Paolo Dall’Oglio in Leuven aflegde over de situatie in Syrië. Deze eredoctor van de KU Leuven werd deze zomer gesommeerd Syrië te verlaten, het land waar hij zich al dertig jaar sterk maakt voor de interreligieuze dialoog. Ondanks dat de revolutie in Syrië ontaard is in een chaotische strijd waarin verschillende groeperingen, soms gesteund door schimmige milities uit het buitenland, het tegen elkaar opnemen, betoogt Dall’Oglio dat het Syrische volk één is, en dat ze – net als iedereen – in vrede samen willen leven. De dialoog en de verzoening die dat veronderstelt dreigen echter door de huidige escalatie van geweld gehypothekeerd te worden. |
 |
|
|
|
Recentste uitgave 23 (2013) 1 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|