Ethische Perspectieven
Maart 2013
Voorwoord
Jelle Zeedijk
Deze winter gingen er stemmen op om de discussie rondom euthanasie opnieuw op de agenda te zetten. De wet die ongeveer tien jaar geleden in voege kwam dient geëvalueerd te worden en we moeten ons afvragen of de lijst van vormen van psychisch lijden niet uitgebreid en de leeftijdgrens niet verlaagd moet worden. Zoals wel voorspeld was wijst zo’n voorstel tot evaluatie in de richting van een uitbreiding en niet tot een beperking van het bereik van de wet. Het principe van zelfbeschikking waarop de wet gebouwd is maakt een weg terug immers haast ondenkbaar. Wie eenmaal ‘zelfbeschikking’ als recht gekregen heeft, zal dit zich niet snel meer af laten nemen, zelfs wanneer deze zelfbeschikking louter nog inhoudt dat men mogelijk lijden voor kan zijn, of een einde kan maken aan feitelijk lijden. Natuurlijk voorziet de euthanasiewet in een juridische omkadering voor de artsen en hulpverleners die geconfronteerd worden met een loodzware verantwoordelijkheid wanneer patiënten in een uitzichtloze situatie aangeven het lijden niet meer te willen dragen. Bovendien lijkt het beter om een procedure te hebben, als kader voor een zorgvuldige behandeling van de euthanasievraag. Tegelijk suggereert de wet ook dat, wie de procedure volgt, in orde is, terwijl het de vraag is of we hier als samenleving wel vrede mee kunnen hebben.
Herman De Dijn geeft in zijn bijdrage aan dat er andere houdingen zijn van waaruit men met dergelijke zeer zware en vaak tragische vragen kan omgaan: respect voor ieder menselijk leven en trouw aan de medemens. Zijn bijdrage is niet gericht op de discussie omtrent euthanasie, maar stelt vragen bij de omschrijving van palliatieve zorg in termen van ‘levenskwaliteit’. De Dijn stelt dat het in de palliatieve zorg niet direct aankomt op het behoud van levenskwaliteit maar van levenszin. Het gaat er niet om om met ‘totaalzorg’ zoveel mogelijk positieve ervaringen of een positieve sfeer te creëren, maar om vrede te vinden met het leven in het licht van de eigen eindigheid. Deze verzoening is geen doel dat direct na te streven is, maar eerder een bijproduct. Het enge begrip ‘levenskwaliteit’ zou volgens De Dijn beter vervangen worden door een breder begrip van het ‘streven naar zin en betekenis’ dat ons leven kenmerkt.
Nicole Note stelt ook de vraag naar zin en betekenis. Centraal in haar bijdrage staat de ervaring van het ‘geraakt-zijn’ door iets, een ervaring die zowel in esthetische als in ethische beschouwingen een cruciale rol lijkt te spelen. Ze probeert het esthetische en het ethische geraakt-zijn onder één noemer te brengen, binnen één analyse van het ontstaan van zin.
In de laatste twee bijdragen verlaten we de vraag naar levenszin. Bart Pattyn gaat in op de vraag naar de haalbaarheid van onze inzet voor het publieke belang. Om zicht te krijgen op deze vraag en mogelijke strategieën op basis waarvan we op politiek niveau de zorg voor publieke goederen kunnen behartigen, moeten de gangbare vooronderstellingen uitgeklaard worden. De bijdrage van Carl Ceulemans biedt een ethisch-normatieve analyse van een begrip dat de laatste tien jaar steeds vaker opduikt in het vocabularium van de internationale politiek. Het gaat om de ‘R2P-doctrine’ die verwijst naar de ‘responsibilty to protect’. Deze doctrine stelt dat de internationale gemeenschap de verantwoordelijkheid draagt om mensen te behoeden voor vermijdbare catastrofes indien de soevereine staten waarin deze plaatsvinden hun verantwoordelijkheid niet kunnen of willen nakomen. Ceulemans bespreekt de verhouding van deze internationale verantwoordelijkheid tot staatssoevereiniteit en bespreekt in welke mate er ook sprake kan zijn van een plicht tot het gebruik van militair geweld.
Pagina : 1 - 2