Ethische Perspectieven
Maart 2014
Voorwoord
Jelle Zeedijk
In dit nummer van Ethische Perspectieven beginnen we en eindigen we met twee wetten die elk op hun eigen manier de gemoederen dusdanig beroeren dat het besluitvormingsproces dat tot deze wetten heeft geleid niet heel erg sereen kon geschieden. Ook geldt voor beide wetten dat België haast als eerste land ter wereld dergelijke wetgeving heeft ingevoerd. In de laatste bijdrage in dit nummer gaat het om de uitbreiding van de euthanasiewet naar minderjarigen, die afgelopen najaar de wereldpers haalde. Georges Casteur, Steven Bieseman en Tom Mortier houden de verschillende elementen van de wetgeving kritisch tegen het licht en besluiten dat er onvoldoende veiligheidswaarborgen zijn dat de wetgeving niet tot misbruik zal leiden.
We openen echter met een tekst van Eva Brems die in de tijd dat ze nog parlementslid was als enige tegen de wet stemde die als het ‘boerkaverbod’ bekend is geworden. Die wet werd aangenomen zonder dat experten ter zaken werden gehoord. De bijdrage van Eva Brems is gebaseerd op haar presentatie in de seminariereeks ‘Debating multiculturalism’ en toetst de argumenten die tot de wet hebben geleid aan de ervaring van vrouwen in België die een gezichtssluier dragen. Deze vrouwen herkennen zich niet of nauwelijks in het beeld dat de wetgever voor ogen stond bij stemming van de wet. Eva Brems getuigt in de discussie – waarvan een verslag is opgenomen bij de mededelingen – dat de wet gestemd werd in een hectische sfeer, waarin geen enkele partij het zich politiek kon veroorloven om meer realiteitszin te tonen.
De gedachte dat bepaalde culturele identiteiten onverzoenbaar zijn met onze westerse samenleving werd door Samuel Huntington begin jaren negentig in een beroemd geworden artikel met de ronkende titel ‘The Clash of Civilizations’ verwoord. Hoewel deze these controversieel is, lijkt ze door het terroristisch geweld dat in het begin van de nieuwe eeuw op veel plaatsen is opgelaaid, ondersteund te worden. En de publieke opinie laat zich door het al te klare zwart-witbeeld dat Huntington schetst (met name door de titel van het artikel) ook op sleeptouw nemen. Simon Vincken bekritiseert in zijn essay ‘Beschaving en identiteit’ de these echter. Hij laat zich inspireren door het concept ‘intersectionaliteit’ uit de gender studies, om de kritiek die Amartya Sen reeds eerder op Huntington formuleerde, plausibel te maken. Een mens laat zich niet op unieke manier categoriseren als bepaald door de beschaving waar hij in geboren is. Identiteit is een rijker, meerduidig gegeven.
In de bijdrage van Hans Van Crombrugge en Naïma Lafrarchi wordt de these van Huntington eigenlijk op een heel andere manier ondergraven. Zij gaan op zoek naar de mogelijkheid van een moderne islamitische pedagogie. Ze zoeken daarbij niet alleen de vraag te beantwoorden of moslim-zijn strookt met de ‘moderne’ waarden van de hedendaagse samenleving, maar ook of een opvoeding tot deze moderne waarden te funderen is in de islamitische traditie. De auteurs kunnen beide vragen bevestigend beantwoorden en stellen dat – net als in het onderzoek naar andere wereldreligies – de ‘moderne’ waarde zelfs in de traditie verondersteld zijn. In die zin is een herbronning op die traditie niet noodzakelijk een reactionaire afkeer van de hedendaagse samenleving, maar een mogelijke hulp om zich in die samenleving in te passen.
Zowel in de discussie omtrent de euthanasiewet, als die omtrent het boerkaverbod zien we hoe individu en samenleving botsen. Een beroep op de mensenrechten lijkt in zulke gevallen een absoluut oordeel te kunnen vellen, maar we leren uit de discussie omtrent het boerkaverbod dat ook het mensenrecht door een interpreterende rechter geveld moet worden. Zo mag de godsdienstvrijheid proportioneel beperkt worden als door die vrijheid andere belangen (van de samenleving) in het gedrang dreigen te komen. In het geval van de boerkawet valt er op de proportionaliteit wel wat af te dingen, en het is dan ook de vraag of deze wet voor het Europees Hof van de Rechten van de Mens stand zal houden. De bijdrage van Thomas Mertens tot slot, biedt een filosofische lezing van de spanning waar de mensenrechten van getuigen. Deze spanning werd door Kant reeds als ‘onmaatschappelijke maatschappelijkheid’ getypeerd. Het is de spanning die het individu oproept, dat zijn meest fundamentele rechten ontleent aan een gemeenschap die die rechten ook waarborgt, maar zich daarmee nooit absoluut, onafhankelijk van die gemeenschap kan opstellen.
Pagina : 1 - 2