Ethische Perspectieven 27 (2017) 4
Voorwoord
Jelle Zeedijk
Afgelopen jaar stond in het teken van de Reformatie. Vijfhonderd jaar geleden maakte Luther zijn stellingen tegen het christelijk gezag in Rome bekend en zette zo een beweging van reformaties in gang die doorheen heel de christelijke wereld gevoeld werden. In de noordelijke Nederlanden, waar men vanaf de Unie van Utrecht officieel godsdienstvrijheid kende, ging de katholieke gemeenschap moeilijke tijden tegemoet. De gewetensvrijheid die alle gelovigen het recht gaf zijn geloof privé te belijden, lijkt tolerant. Voor katholieken echter, die voor het redden van hun ziel ook aan (publieke) sacramenten moeten deelnemen, kreeg die tolerantie een zeer minimale invulling. Kerken werden in beslag genomen, priesters mochten hun ambt niet uitoefenen, werden afhankelijk van het beschermgeld dat de gemeenschap al dan niet kon afdragen aan de lokale overheid vervolgd en gevangengezet. Openbare ambten konden niet door katholieken worden ingevuld. Katholieke theologie mocht niet onderwezen worden en openbare uitingen, zoals processies, waren verboden. Je kan dat voor die tijd een ‘redelijke accommodatie’ noemen, omdat een grotere publieke vrijheid voor katholieken tot te groot maatschappelijk conflict had kunnen leiden, maar met evenveel recht kan je het onderdrukkende pestmaatregelen noemen. Omdat het niet meer mogelijk was om priesters te vormen in de Zeven Provincieën werd er eerst in Keulen en vervolgens in Leuven een college geopend waar theologanten konden verblijven en zich in de geest van Trente konden voorbereiden om met nieuwe morele bewapening naar het Noorden te trekken om daar de katholieke gemeenschappen te bedienen. In Leuven werd in 1617 een oude patriciërswoning aangekocht, die omgedoopt werd tot het Hollands College ‘Pulcheria’. Vandaag huizen Metaforum, de interdisciplinaire denktank van de Leuvense universiteit, en het Overlegcentrum voor Ethiek in dit college.
De religieuze strijd die zo bepalend was aan het begin van de Moderne Tijd en die zich in heel de culturele ontwikkeling van Europa doet voelen, werkt tot op vandaag door, zij het dat de strijd veel minder gewelddadig is geworden en dat er – tamelijk recent – zelfs sprake is van toenadering. Theodor Dieter is ere-doctor van de KU Leuven en directeur van het Institute for Ecumenical Research in Straatsburg. In zijn bijdrage gaat hij in op de stand van zaken in en de toekomst van de oecumenische dialoog. Het is zeer hoopgevend dat ter gelegenheid van de vijfhonderdste verjaardag van de Reformatie katholieke en lutheranen de reformatie in een gezamenlijke viering kunnen herdenken. Tot voor kort was dit ondenkbaar, en het kan gezien worden als een verdienste van een dialoogproces van jaren. Uit deze bijdrage blijkt echter hoe moeilijk het is een vergelijk te vinden tussen leerstellige dogma’s die gedurende honderden jaren zijn ingesleten in de kerkelijke instituties. Beide partijen voelen het als een zonde tegen de eenheid van het geloof dat er ooit een schisma is ontstaan in de kerk, maar evenzeer lijkt het onmogelijk om terug te keren naar de oorspronkelijke eenheid zonder dat bepaalde voor het instituut fundamentele stellingnames worden teruggenomen. Dieter toont aan de hand van enkele dialoogteksten uit de oecumene welke hindernissen overwonnen moeten worden, en wat we kunnen leren van eerdere stappen op de weg naar grotere eenheid in de kerk.
De spanning in onze samenleving die veel aandacht krijgt in de media is echter niet de oecumenische, maar de vraag naar welke plaats religie in het algemeen in onze samenleving moet hebben (en in het bijzonder de islam waarvoor moslims een zekere publieke erkenning vragen). Onze tolerantie lijkt alvast wat groter dan de tolerantie voor de katholieken in de Zeven Provinciën van vierhonderd jaar geleden. Sommigen beweren zelfs dat onze tolerantie te groot is en dat we onze eigen ‘vrije’ en verlichte samenleving op het spel zetten door religieuze overtuigingen te veel plaats te geven in de publieke ruimte.
Hans Van Crombrugge verkent in zijn bijdrage ‘Leren geloven’ de plaats van godsdienst in het onderwijs. In zijn bijdrage wordt het godsdienstonderricht echter niet als een conservatieve, dogmatische aangelegenheid gezien, waarvan men zich inderdaad kan afvragen welke plaats dat zou kunnen hebben binnen het ‘leerplan’. Hij ziet de godsdienstles als een opvoeden in een verbeelde, zinvolle wereld waarin ook de kritische zin zijn plaats heeft. Wie religie verstaat als een poging om een zinvolle, verbeelde wereld te creëren waaraan opvoeders en kinderen deelnemen zal inzien dat deugden als geloofwaardigheid of bescheidenheid eerder op zijn plaats zijn dan niet in vraag te stellen autoriteit. Het zal afhankelijk zijn van de pedagogische kwaliteit van het godsdienstonderricht, van hoe de lessen worden ingericht of deze lessen een plaats kunnen vinden in ons onderwijs.
We beginnen dit nummer van Ethische perspectieven echter met een bijdrage van Piet Vanthemsche. Hij werd als bemiddelaar het veld ingestuurd om de onverdoofde slacht in Vlaanderen te onderzoeken en deed na raadpleging van de stakeholders in de religieuze gemeenschappen, belangenorganisaties en de industrie aanbevelingen aan de Vlaamse regering over een in te stellen verbod op onverdoofd slachten. Het is eigenlijk een zeer moeilijk dossier omdat het zo gemakkelijk politiek gerecupereerd kan worden. Wat wordt ingezet als een oprechte bekommernis om het dierenwelzijn, wordt als men niet uitkijkt door moslims en joden als een louter intolerante pestmaatregel gepercipieerd. We kunnen volgens Vanthemsche in het huidige maatschappelijke klimaat de religieuze minderheden hier bovendien geen ongelijk in geven: er wordt vaak teveel over hen, en te weinig met hen gesproken. Met zijn advies, dat ook duidelijk de speelruimte aftast die er volgens de gelovigen zelf is, mogen we hopen dat de jaarlijks terugkerende politieke heisa rond de organisatie van het Offerfeest tot het verleden behoort. Wil onze samenleving echter de zo vurig beleden eigen vrijheid en tolerantie niet zelf verkwanselen, dan zal ze moeten tonen dat het haar ook echt om dierenwelzijn gaat. Niet alleen bij de gebruiken van religieuze minderheden moet dat welzijn worden nagestreefd en afgedwongen, maar ook bij de reguliere slacht in de eigen vleesindustrie moet hier serieuze zaak van worden gemaakt. Wie bedenkt dat de islamitische spijswetten naast voedselveiligheid ook dierenwelzijn op het oog hebben zal inzien dat net als in de oecumenische dialoog er meer gemeenschappelijkheid bestaat dan de fixatie op de eigen cultuur en identiteit wil toegeven.
Pagina : 281 - 283