| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Juli - Nummer : 2/1999 |
| |
| Woord vooraf: massamedia |
| Bart Pattyn |
| |
Pagina : 71 - 73 |
 |
| |
De Italiaanse filosoof Vattimo beweert dat de massamedia hebben geleid tot de ontbinding van `gecentreerde perspectieven'. Ze hebben onze moderne samenleving niet transparanter, zelfbewuster en meer `verlicht' gemaakt, maar eerder complexer en zelfs chaotisch. “Werkelijkheid is voor ons eerder het resultaat van intersectie en contaminatie van de door de media verspreide veelheid van beelden, interpretaties en reconstructies, die onderling strijdig zijn en zonder een `centrale' coördinatie.”
In het licht van de stroom berichten die via de media in onze huiskamers binnenstromen, lijkt het aanschijn van de wereld inderdaad verbazend snel en op een chaotische manier te veranderden. Een paar maanden geleden leefden we in de schaduw van het conflict in Kosovo, vandaag richten de schijnwerpers zich op de nieuwe bewindslieden en de afloop van de dioxinecrisis en morgen bieden de media ons ongetwijfeld weer andere aandachtspunten.
De berichten over de oorlog in Kosovo vormden geen homogeen verhaal. Ze bestonden uit een reeks schokkende momentopnames van deportaties, vluchtelingen en oorlogsslachtoffers. De beelden getuigden van ongelimiteerde haat en machteloosheid. Omdat de argumenten vóór en tegen militair ingrijpen elkaar in evenwicht hielden, bestond er geen eensgezindheid over de rechtvaardigheid van de interventie en nog minder over de manier waarop die moest worden uitgevoerd. Hoewel minder abstract dan de Golfoorlog, was ook deze oorlog er één die de wereld aan deze zijde van het scherm ongemoeid liet. Het is waar dat de eensgezindheid met betrekking tot de mensenrechten groeit maar toch gingen de politieke leiders ervan uit dat de bereidheid van de bevolking om er `eigen' mensen voor te laten omkomen, erg klein is. Ze namen aan — en wellicht terecht — dat de schending van mensenrechten voor de meesten onder ons een erg abstract gegeven blijft, een gegeven waartegen we onze persoonlijke levenssfeer afschermen. Hoewel erg dicht in de omgeving, had het conflict trouwens ook geen materiële invloed. De winkelrekken bleven even goed gevuld en er vielen geen landgenoten in de strijd.
Het einde van de oorlog in Kosovo — wat er ook met het begrip `einde' mag worden bedoeld — werd overvleugeld door een andere stroom van berichten waarvan het effect zich wél in de winkelrekken liet voelen. Middenin de deining van de dioxinecrisis hebben de verkiezingen van 13 juni het politieke landschap grondig hertekend. De camera's werden aldus afgewend en de aandacht werd op andere onderwerpen gericht: de problemen van een frisdrankketen, het aantreden van de nieuwe regeringen, de moeizame afrekening met de dioxinecrisis, de onderhandelingen van Ehud Barak met de Palestijnen... het zoeklicht glijdt onafgebroken van de ene naar de andere gebeurtenis en de interpretaties die daarbij worden geboden zijn summier en vaak tegenstrijdig. Wat niet wordt belicht omdat het niet ophefmakend is, of ontoegankelijk voor de camera's lijkt niet te bestaan, ook al gaat het om de ergste wreedheden.
En toch kan ik Vattimo's stelling niet helemaal bijtreden. Zolang men het nerveus zoeklicht dat in de berichtgeving wordt gehanteerd niet beschouwd als het enige werkinstrument om zich een beeld van deze wereld te vormen, leiden de massamedia niet per se tot de ontbinding van fundamentele perspectieven. Er bestaat ook andere kennis dan de evenementiële informatie. Tijd is immers een meervoudig en gelaagd gegeven. Opzienbarende evenementen vloeien over een stabielere onderstroom die minstens even bepalend is voor wat zich actueel voordoet. Het volstaat om op geregelde momenten ernstig na te denken over brede ontwikkelingen om perspectief te krijgen op de schijnbare discontinuïteit van actuele gebeurtenissen. Wie echter enkel oog heeft voor wat in de populaire media verschijnt, krijgt inderdaad een draaierig gevoel. Het momentane karakter van nieuwsberichten wekt immers de indruk dat wat zich in onze samenleving en in de wereld voordoet weinig samenhang vertoont, dat burgers het voorwerp zijn van onberekenbare en chaotische omstandigheden en dat enkel wat zich recent heeft voorgedaan een absoluut karakter heeft. Het is waarschijnlijk dat ook het actuele wantrouwen in de politiek mag worden toegeschreven aan de hegemonie van het evenementile. Eén van de strategieën om het vertrouwen in de instellingen van onze samenleving te herstellen zou er volgens Marc Elchardus daarom in bestaan gefundeerde opvattingen uit de schaduw van de wispelturige berichtgeving te halen.
Precies nu dit besef stilaan doordringt, staan we op de drempel van een tweede commercialiseringsgolf in de media. De nieuwe minister van mediabeleid wil tegen het einde van volgend jaar twee landelijke commerciële radiostations op de FM-banden en in de regeringsverklaring staat dat men zal streven: “naar de geleidelijke invoering van een systeem van gescheiden financiering, met overheidsmiddelen voor de openbare omroep en particuliere middelen voor de particuliere initiatieven. De VRT zal gecompenseerd worden voor het derven van die inkomsten.” De reclame-inkomsten van de VRT bedroegen in 1997 zonder de sponsoring 1,225 miljard en vermoedelijk was dat bedrag in 1998 hoger. Zal, wanneer de reclameinkomsten worden beperkt, het verschil in inkomsten volledig worden gecompenseerd zoals in de regeringsverklaring wordt aangegeven? Creert men meer pluriformiteit als deze beleidsbeslissing aanleiding zou geven tot het verder doorgedreven `cross media ownership' van Roularta en De Persgroep? Indien er zich bij de VRT toch een herstructurering opdringt, wat voor soort radio zal dan eerst verdwijnen? De diepgaande maar weinig beluisterde praatprogramma's op radio 3 of programma's zoals Camping Casablanca? Wat zal het effect zijn op de kwaliteit van de berichtgeving, de cultuurverspreiding en het amusement wanneer de commerciële radionetten de VRT met de rug tegen de muur dringen? Krijgen we dan een soortgelijk scenario als bij de introductie van de commerciële televisie?
Omdat de populariteit van diepgaande berichtgeving klein is, kan men zich voorstellen dat de werkingsmiddelen voor degelijke journalistiek verder zullen inkrimpen, zoals dat nu reeds het geval is voor sommige kranten. Journalisten zullen verplicht worden om over belangrijke maatschappelijke problemen te rapporteren zonder dat ze over de nodige tijd beschikken om zich in de materie in te werken en zonder dat ze in de mogelijkheid verkeren om hun analyses of berichten zorgvuldig te toetsen.
Belangrijker dan vragen over financiering zijn vragen over wat we in onze samenleving met de media en met de openbare omroep in het bijzonder willen bereiken. In plaats van een cijfermatige analyse dringt zich een diepgaande inhoudelijke discussie op. De eerste vraag die zich daarbij stelt is: wat kunnen de media in het algemeen en de openbare omroep in het bijzonder betekenen voor onze samenleving, voor het algemeen belang en voor het welzijn van onze burgers? In dergelijke discussie lijkt het me belangrijk aan te stippen dat evenementiële berichtgeving moet worden aangevuld met diepgaande analyses en gefundeerde langetermijnvisies — ook al zijn die niet populair — om te vermijden dat de publieke opinie de draagwijdte van maatschappelijke fenomenen systematisch verkeerd inschat. Als het kritisch vermogen van de publieke opinie wordt ondermijnd, is dat een slechte zaak voor de democratie en creëert men een ideale voedingsbodem voor meer demagogie. Het is zeker niet de taak van de media alleen om zorg te dragen voor de kwaliteit van het gemeenschappelijk bewustzijn; dat is ook de taak van onderwijsinstellingen, werkgevers- en werknemersorganisaties, socioculturele verenigingen en religieuze groeperingen. Ook universiteiten dragen hiertoe bij door het creëren en valideren van gefundeerde visies. In dit nummer vindt men daarvan alvast enkele voorbeelden: Toen Michael Walzer, de internationaal gewaardeerde politieke filosoof de Multatuli-lezing uitsprak, was de oorlog in Kosovo volop aan de gang.
Dat gaf aan zijn zoektocht naar de meest ideale verwerkelijking van een internationale politieke orde een bijzondere betekenis. Maar precies omdat zijn lezing meer was dan een commentaar op de evenementen die zich toen aandienden, presenteerde hij een nastrevenswaardig toekomstperspectief. De tweede bijdrage is een bezinning over het succes van extreem-rechts tijdens de laatste verkiezingen: een ander `evenement' met langetermijnconsequenties.
In de lijn van de discussie over kwaliteitsberichtgeving vindt men in dit nummer het verslag van de workshop: Journalistieke versus commerciële belangen. In de rubriek van het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht maakt Paul Schotsmans zich zorgen over de kansen op een open ethische dialoog omtrent de levensbeindiging van wilsonbekwamen. Paul de Meester geeft ons het standpunt van de Werkgroep Wetenschap, Techniek en Ethiek over de ethische vorming van ingenieurs.
|
 |
94,85 Kb |
 |
|
|
|
| Recentste uitgave 17/1 (2007) |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
| Centra |
 |
 |
 |
Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht |
 |
Centrum voor Economie en Ethiek |
 |
Centrum voor Ethiek en Waardeonderzoek |
 |
Centrum voor Ethiek, Sociale en Politieke Filosofie |
 |
Centrum voor Wetenschap, Techniek en Ethiek |
 |
Chaire Hoover d'ethique et sociale |
 |
Ethics.be |
 |
|
 |
European SPES Forum |
 |
Master in Applied Ethics |
 |
Multatuli-lezing |
 |
Overlegcentrum voor Ethiek |
 |
SPES-Forum Vzw |
 |
Wetenschap en ethiek |
|
|
|
|