| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Oktober - December - Nummer : 3-4/1999 |
| |
| (Zaken)ethiek [v.]
De invloed van vrouwelijke beroepsparticipatie op de bedrijfscultuur |
| Herman Siebens |
| |
Pagina : 164 - 182 |
 |
| |
Vrouwen beroepsactief
De sterke instroom van vrouwelijke werknemers in de bedrijven tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was geen nieuw fenomeen. Ook in de 19de eeuw namen heel wat vrouwen deel aan het arbeidsproces, voornamelijk in textielbedrijven. Vanaf het einde van de 19de eeuw inspireerden maatschappelijke en morele problemen tot een wetgeving die beroepsarbeid voor vrouwen ontmoedigde. Het terugdringen van de vrouw binnen de huismuren was ook het resultaat van sociale acties ondermeer door verlicht, caritatief paternalisme en sociaal-utopisme onder bedrijfsleiders en van de welvaartsstijging rond 1900. In 1850 waren 67% vrouwen beroepsactief. In 1950 waren dat er slechts 15%. Het zou tot 1990 duren vooraleer de vrouwen weer eenzelfde globale beroepsactiviteit haalden als in 1850. De tendens om vrouwen `van beroepsarbeid te behoeden' ging gepaard met de idealisering van het burgerlijk gezinstype waarin een duidelijke functiescheiding werd voorgestaan tussen (huis)vrouw en (beroeps)man, wat zich ondermeer vertaalde in een dubbelzinnige, burgerlijke gezins en seksualiteitsmoraal. Deze scheiding ging in tegen de eeuwenoude, middeleeuwse opvattingen over de functie van mannen en vrouwen in het beroepsleven.
Nieuw na de Tweede Wereldoorlog was dat de middenklasse-burgervrouw, voor wie `niet hoeven werken' een statussymbool was geworden, uitkeek naar een onafhankelijke, betaalde job en daarvoor de nodige scholing ging volgen. De instroom werd steeds groter, zij het nog steeds onder het toezicht van mannelijke kaderleden en managers. We zijn nu op een punt gekomen waar de doorstroming van de vrouw binnen de bedrijfskaders naar de hoogste echelons een realiteit wordt. Sommige auteurs gewagen zelfs dat in de 21ste eeuw de manager voornamelijk vrouwelijk zal zijn. Dan moet er echter nog heel wat veranderen. Onderzoek in de VS (K. Davis, W.C. Frederick & J.E. Post) in 1988 wees uit dat slechts 3% van de functies van vrouwen topmanagementfuncties waren. Vrouwen werken meestal als bediende (28%), in de dienstensector (16%) of in het middenkader. Onder druk van een zacht feminisme komen ook steeds andere jobs binnen het bereik van de vrouw, hoewel technische scholing en beroepsopleidingen bijna uitsluitend door jongens worden bemand. De belangrijke plaats die de vrouw in het bedrijfsleven heeft ingenomen, resulteert wel in nieuwe, vrouwgebonden problemen, maar, zoals meer en meer blijkt, ook in een nieuwe, vrouwelijke stijl van leidinggeven.
Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de vrouwen als werknemers niet meer weg te denken uit de bedrijfswereld. Waar in 1961 nog slechts 37% werk had of zocht (versus 63% thuiswerkend), kende ons land in 1992 (laatste onderzoek) 70% buitenhuiswerkende vrouwen (versus nog slechts 20% thuiswerkend). Einde jaren '80 werkten meer dan 70% vrouwen in vruchtbare leeftijd buitenhuis. Twee op drie nieuwe werknemers tussen 1985 en 2000 zijn overigens vrouwen. J.W. Weiss voorspelt dat rond de eeuwwisseling ongeveer 50% van de werkkrachten vrouwelijk zullen zijn. Daarmee zullen 6 op 7 vrouwen in de arbeidsleeftijd deel uitmaken van de arbeidsmarkt. Dit heeft ertoe geleid dat thans 3 op 4 gezinnen `tweeverdieners' zijn. |
 |
262,67 Kb |
 |
|
|
|
Recentste uitgave 23 (2013) 1 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|