| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Juli - Nummer : 2/2000 |
| |
| Religie en conflict |
| Didier Pollefeyt |
| |
Pagina : 130 - 135 |
 |
| |
In zijn bekende studie Mondiale verantwoordelijkheid ontwikkelde de Zwitserse theoloog Hans Küng de stelling dat er geen wereldvrede kan komen zonder vrede tussen de godsdiensten . Welke rol kunnen religies spelen in internationale conflicten? In de politieke realiteit worden we vaak geconfronteerd met een paradox. Religies en religieuze organisaties kunnen een onvermoede kracht ontwikkelen, niet alleen om conflicten te helpen beëindigen, maar tevens om vergeving en verzoening te bewerkstelligen. Ze kunnen echter ook een hinderpaal vormen voor de vrede, zelfs conflicten uitlokken en in de hand werken. Vooral de monotheïstische religies hebben in de geschiedenis getoond zowel het grootste geweld, als vrede en verzoening te kunnen bewerkstelligen. De vraag die dan rijst, is hoe religies zo vaak bron van geweld kunnen worden, en vooral hoe hun positieve kracht bij conflictoplossing beter kan benut worden . Deze vraagstelling kadert in een meer algemene verschuiving binnen de vredesethiek, vooral sinds de val van de Berlijnse muur, van de problematiek van geweldgebruik en afschrikking tussen ideologische blokken, naar de opdracht van vreedzaam multicultureel samenleven en van verzoening na collectief geweld tussen volkeren en religies.
Christelijke vredesonderzoekers zijn zich scherp bewust van deze biporaliteit van religies. Enerzijds bevatten religies, ook de christelijke traditie, een gewelddadig potentieel. En dit geweld komt niet alleen voort uit de externe binding van God en religie aan één klasse, natie of ras, maar lijkt inherent verbonden aan de openbaringsaanspraken van de religies zelf, meer in het bijzonder hun exclusiviteitspretenties. Anderzijds brengen religies steeds ook een sterke ethische en spirituele boodschap die de liefde voor de naaste opentrekt tot liefde voor de vreemdeling, ja zelfs voor de vijand, en die vraagt om vrede door vergeving en verzoening, tot zevenmaal zeventig maal toe.
Religie is echter nooit voor eens en voor altijd zuiver en risicoloos. Soms moet religie fundamenteel in vraag gesteld worden in naam van de religie zelf. En dat veronderstelt dat we religie van binnenuit bestuderen. In de internationale politiek wordt religie vaak enkel vanuit een extern en objectiverend standpunt benaderd, namelijk als een (nuttig of gevaarlijk) maatschappelijk fenomeen: een instelling, met een hirarchie, machtsstructuren en medewerkers. De bijdrage van de christelijke ethicus kan erin bestaan om religie eerder vanuit de binnenkant, dit is vanuit de geloofsdynamiek zelf te bekijken, en waar nodig te bekritiseren én te heroriënteren. Zonder dat perspectief kan religie snel gefunctionaliseerd raken. Religie presenteert zich dan (in het beste geval) historisch en fenomenologisch als een interessant instrument om vrede te bevorderen, en daarom geeft men er de nodige aandacht aan. Maar misschien is vrede enkel een niet rechtstreeks na te streven bijproduct van een bepaalde goed begrepen vorm van religiositeit, en gaat dit positieve effect al verloren op het moment dat men religie politiek poogt te instrumentaliseren.
Vanuit theologisch-ethisch perspectief pleiten we dus voor een verdieping van de aandacht van een externe naar een interne criteriologie om te spreken over de verhouding tussen religie en conflict. Het fenomeen `religie' moet door de vredesethiek inhoudelijk gekwalificeerd worden. De vraagstelling wordt daarmee tegelijk ook theologisch: welke religie? hoe ziet men in de religie het kwaad? de menselijke natuur? geschiedenis en verlossing? schepping en bevrijding? ethiek en spiritualiteit? trauma en herstel? individu en gemeenschap? kerk en wereld? andere religies en levensbeschouwingen? Het antwoord op deze en andere vragen zal in sterke mate bepalen in welke zin religie al dan niet conflictoplossend zal kunnen fungeren. Het zal tevens duidelijk maken in welk opzicht religie een specifieke bijdrage kan leveren tot de vrede, die verschilt van de bijdrage van de politiek, de diplomatie, de ontwikkelingssamenwerking of de therapie.
Als men religie van de binnenkant bestudeert, dan wordt men al gauw geconfronteerd met het exclusivistisch karakter van heel wat religieuze aanspraken. Denk aan het joodse concept van `uitverkiezing', het christelijke adagium `buiten de kerk geen heil' of de expansiedrang van bepaalde strekkingen in de islam. Hieruit blijkt dat religie steeds ook te maken heeft met identiteitsaffirmatie. En hoewel dit aspect van religie noodzakelijk is voor het voortbestaan ervan, en vaak ook een emancipatorische kracht heeft, is het ook vaak de reden waarom religie eerder conflictinducerend, dan wel conflictoplossend werkt. Religies claimen voor zichzelf graag de ultieme waarheid, met uitsluiting van al diegenen die deze waarheid niet aanvaarden. Wanneer zo'n religieuze dynamiek geaccapareerd wordt door ras, natie, cultuur of volk, dan kan religie een fanatieke, `moorddadige identiteit' worden. In een postmoderne wereld die getekend wordt door `uniformisering' en `globalisering' zal het verlangen naar een meer radicale opstelling om de eigen (religieuze) identiteit te profileren en te verdedigen nog manifester worden. Het is daarbij de vraag of de toenemende impact van de religies op de internationale politiek wel zonder meer moet omarmd worden.
Anderzijds stelt men vast dat in het moderne Westen de religie zich, uit vrees voor intolerantie en fanatisme, dermate heeft aangepast en vertaald in seculiere termen, dat ze haar identiteit voor een groot deel verloren heeft en haar rol in het Westen lijkt uitgespeeld. Men hoort wel eens het verwijt dat christenen profiel en identiteit missen en zich pragmatisch bij de heersende maatschappelijke ontwikkelingen neerleggen. In vele grote conflicten bleven kerken en individuele christenen passieve buitenstaanders (bystanders), eerder dan redders (rescuers) en vredesbrengers (peace makers).
De centrale kwestie voor de christelijke vredesethiek in de nabije toekomst zal daarom de vraag zijn hoe religies in een wereld van morele egaliteit en levensbeschouwelijke lauwheid hun religieuze boodschap radicaal als ethische en levensbeschouwelijke inspiratiebron kunnen voorhouden en beleven zonder te vervallen in fanatisme of bij te bijdragen tot gewelddadigheid. In hun strijd tegen het kwaad kunnen ook religies immers zeer kwaadaardig worden. In hun streven naar vergeving en verzoening daarentegen dragen ze er gemakkelijk toe bij dat het aangedane kwaad wordt gebagatelliseerd en dat de daders vrijuit gaan. Maar ook omgekeerd: hoe kunnen religies, in het bijzonder het christendom, op hun hoede zijn voor de gewelddadige pervertering van hun boodschap, zonder te vervallen in morele lauwheid en angstig pragmatisme?
We sommen hier enkele inhoudelijke criteria op waaraan religies en religieuze organisaties van christelijke signatuur ons inziens moeten voldoen om te kunnen dragen tot vrede en verzoening.
|
 |
126,45 Kb |
 |
|
|
|
Recentste uitgave 23 (2013) 1 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|