Ethische Perspectieven 13 (2003) 1-2
Wij hebben de aarde alleen maar in bruikleen gekregen van onze kinderen en hun kinderen
Jean-François Grégoire
Hevige stortregens kostten in 1999 het leven aan tien- tot twintigduizend mensen in Venezuela. Ze werden meegesleurd door modderstromen. Dat zelfde jaar trokken stormen met een nog nooit eerder geziene windkracht een spoor van vernieling door hele bossen in Frankrijk, Duitsland en Zwitserland.
Klimatologen voorspellen dat het klimaat meer en meer verstoord dreigt te worden door de uitstoot van koolstofdioxide, die gepaard gaat met het gebruik van fossiele brandstoffen (steenkool, petroleum en gas). Koeien worden gek, 3,5 tot 5 miljoen mensen lopen jaarlijks een zware vergiftiging op door pesticiden. Minstens 1,3 miljard mensen hebben geen toegang tot drinkbaar water, de ozonlaag wordt dunner, per jaar verdwijnen ongeveer 15 miljoen hectaren tropisch woud en duizenden soorten dieren en planten sterven uit.
In de rijke landen zijn er meer dan 40 miljoen werklozen, bijna 1,3 miljard personen moeten zien te overleven met minder dan 1 euro per dag. Daar tegenover staat dat het fortuin van de drie rijkste mensen ter wereld even groot is als het gezamenlijk Bruto Nationaal Product (BNP) van de minst ontwikkelde landen. Tussen 1975 en 1995 is het BNP per inwoner in de rijke landen met 2% gegroeid; in de minst ontwikkelde landen is het daarentegen met 0,2% teruggelopen. Tussen 1960 en 2000 is de wereldbevolking van 3 naar 6 miljard gestegen . Het aantal auto’s ging van 68 miljoen in 1960 naar 501 miljoen in 1997. De vervuiling en het aantal ongevallen namen spectaculair toe.
Deze gegevens kunnen worden geïnterpreteerd als symptomen van eenzelfde kwaal: het niet-duurzame karakter van het ontwikkelingsmodel dat tegenwoordig in de hele wereld aan de orde is. Wat betekent dit nu eigenlijk?
Talrijke wetenschappers en verenigingen hadden zeer pessimisitische prognoses gedaan in verband met de evolutie van het milieu over de hele wereld. De Verenigde Naties waren hierdoor zeer sterk gealarmeerd. In 1983 werd een commissie opgericht, onder het voorzitterschap van de Noorse premier, mevrouw Gro Harlem Brundtland.
De opdracht van deze commissie bestond erin verslag uit te brengen over de globale toestand van het milieu, over de vooruitgang die terzake geboekt werd, en over de problemen die moesten worden overwonnen. Het rapport van de Wereldcommissie voor Milieu en Ontwikkeling (beter bekend onder de naam ‘Brundtland-Rapport’) gebruikte voor het eerst de nu algemeen gekende benaming voor het type van ontwikkeling dat de mensheid moet toelaten om uit de impasse te geraken: ‘duurzame’, ‘vol te houden’, ‘leefbare’ ontwikkeling of, in het Engels, ‘sustainable development’.
Het loont de moeite even stil te blijven staan bij de definitie die het Brundtland-rapport geeft van het begrip ‘duurzame ontwikkeling’. Volgens de commissie gaat het om een ontwikkelingsmodel ‘dat voorziet in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien, in het gedrang te brengen. Twee concepten zijn inherent aan deze bepaling:
- het concept “behoeften”, en meer bepaald de basisbehoeften van de meest noodlijdenden, die dan ook absolute voorrang moeten krijgen
- de idee van beperkingen die de stand van onze technische kennis en onze sociale ordening aan het vermogen van de natuur opleggen om te voldoen aan de huidige en toekomstige behoeften.(…)
Duurzame ontwikkeling – zelfs in de meest strikte zin van het woord – veronderstelt de bekommmernis om sociale gelijkwaardigheid tussen generaties, een bekommernis die logischerwijze ook binnen eenzelfde generatie moet gelden’.
Het probleem van de inter-generationele rechtvaardigheid komt zich bij het probleem van de intra-generationale rechtvaardigheid voegen. Het gaat er dus om inhoud te geven aan het gezegde ‘wij erven de aarde niet van onze ouders; wij hebben ze in bruikleen van onze kinderen’ moet een concrete inhoud krijgen.
Philippe Van Parijs en Frank De Roose hebben reeds eerder opgemerkt dat het je reinste zelfmoord zou zijn te weigeren ook maar enige aanspraak te maken op de natuurlijke hulpbronnen, maar dat het moreel onaanvaardbaar is om ze uit te putten. Eén van de voornaamste taken van de milieu-ethiek bestaat er volgens hen in een criterium uit te werken dat het midden houdt tussen deze twee uitersten.
Jean-François Grégoire – Jean-Pascal van Ypersele - Françoise Bartiaux
Pagina : 40 - 48
