| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Maart - Nummer : 1/2004 |
| |
| De empirische wending in de bio-ethiek |
| Pascal Borry |
| e.a. |
| |
Pagina : 3 - 5 |
 |
| |
Wie de bioethische literatuur opvolgt, merkt in de laatste twee decennia een sterke opmars van empirische onderzoeken naar typisch normatieve ethische thema’s uit de gezondheidszorg. In plaats van enkel te proberen morele dilemma’s uit te klaren met de hulp van ethische theorieën, principes en regels, bestuderen meer en meer onderzoeksgroepen specifieke zorgpraktijken met als doelstelling de morele normen en overtuigingen die in de praktijk leven te expliciteren. Hierbij wordt een heel pakket aan onderzoeksmethodes gebruikt: participerende observatie, vragenlijsten en interviews, beslissingsanalyse enzovoort. De gemeenschappelijke noemer is dat kwantitatieve en kwalitatieve gegevens verzameld worden via empirische studies. Vele van deze studies zijn interessant aangezien ze het onderliggende waardepatroon en de intrinsieke normen van specifieke praktijken die werkzaam zijn in het klinische werk verhelderen, bijvoorbeeld in het omgaan met comapatiënten, in de verpleegkun-de, in de klinische genetica, in de beslissingen inzake het einde van het leven enzovoort.
In het Nederlands taalgebied wordt de term ‘empirische ethiek’ meestal gebruikt ter aanduiding van een combinatie van empirisch sociaal-wetenschap-pelijk onderzoek en normatief-ethische reflectie. Wij opteren ervoor om empi-rische ethiek breed te definiëren als een overkoepelende term voor alle benaderingen die empirisch onderzoek en ethische reflectie combineren. Een vijftal vooronderstellingen liggen aan de basis van ‘empirische ethiek’: (1) Empirische ethiek poneert dat onderzoek naar de morele attitudes, intuďties, gedragingen en rederingen informatie genereert die betekenisvol is voor ethiek en dat dit het startpunt zou moeten zijn van ethiek; (2) empirische ethiek stelt dat de empirische onderzoeksmethodologie van de sociale wetenschappen een manier is – en wellicht de beste manier – om deze realiteit in kaart te brengen; (3) empirische ethiek stelt dat het klassieke onderscheid tussen normatieve en descriptieve ethiek flexibeler zou moeten zijn: empirische ethiek ontkent de structurele incompabiliteit tussen empirische en normatieve benaderingen en gelooft in hun fundamentele complementariteit; (4) empirische ethiek is een heuristische term die pleit voor een integratie van de empirische onderzoeks-methodologie en resultaten van empirisch onderzoek in ethische reflectie: empirische ethiek is in strikte zin geen methode om ethiek te beoefenen, maar een basishouding om in ethische reflectie en besluitvorming de empirische onderzoeksmethodologie en resultaten van empirisch onderzoek te gebruiken; (5) empirische ethiek kan niet als een anti-normatieve benadering worden be-schouwd: indien enkel en alleen de context zou bepalen wat goed of slecht, juist of onjuist is, dan is het geen ethiek meer (Borry 2004).
Alhoewel deze wijziging in onderzoeksoriëntatie nieuwe perspectieven opent, is ze niet zonder problemen. Empirisch onderzoek in het domein van de biome-dische ethiek genereert vooreerst praktische problemen, zoals de validiteit van de methodologie en de statistieken, de interpretatie van de data en de conclusies. Daarnaast is er het fundamentele probleem van praktijk-georiënteerd medisch-ethisch onderzoek in het algemeen. De zogenaamde ‘empirical turn’ in de ethische onderzoeksmethodologie probeert de traditionele kloof tussen descrip-tieve en normatieve ethiek te overbruggen. De basisvraag is echter wat de morele relevantie is van empirische gegevens. Een beter inzicht in een bepaald probleem of de context van een klinische praktijk kunnen inderdaad helpen bij het uitklaren van de ethische problemen in een bepaalde medische praktijk, maar hoe kan dit inzicht worden gebruikt om beslissingen en beleid aangaande deze zaken te rechtvaardigen? Empirisch onderzoek in de biomedische ethiek kan helpen om de houdingen, de redeneerwijzen en motivaties van mensen in de klinische context te beschrijven. De vraag is echter of een dergelijk onderzoek een normatief oordeel kan rechtvaardigen, of aangeven wat ethisch verantwoord en aanvaardbaar is.
Deze problematiek vormde het centrale onderzoeksthema van het F.W.O.-project ‘Medische ethiek tussen bio-ethische theorie en empirische methodologie, Klinische genetica als casus’ dat aan het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht (K.U. Leuven) liep van januari 2002 tot december 2003. Het vormde tevens het thema van het internationale congres Between Facts and Norms, Empirical Methods in Bioethics dat het Centrum samen met de European Master in Bioethics op 7 en 8 maart 2003 organiseerde en dat meer dan honderd onderzoekers samenbracht om te reflecteren en debatteren over de plaats en rol van empirisch onderzoek in ethiek. Dit nummer van Ethische Perspectieven zet, met nieuwe bijdragen over het thema, het reflectieproces verder dat op dit congres gestart werd.
De eerste bijdrage van dit themanummer biedt een historische schets van de relatie tussen een normatieve en een empirische benadering van bioethische thema’s. In dit artikel onderzoeken Pascal Borry, Paul Schotsmans en Kris Dierickx waarom de bioethische reflectie in het verleden weinig of geen aandacht had voor resultaten van empirisch onderzoek en waarom in het recente verleden sommige auteurs spreken van een ‘empirische wending in de bio-ethiek’ (Den Hertogh 1999; Borry 2005) of van ‘empirische ethiek.’(Hope 1999; Musschenga e a. 1999; Widdershoven 1999).
In een tweede bijdrage vertrekken Bernadette Dierckx de Casterlé e.a. van de vaststelling van een groeiende hoeveelheid empirisch-ethische literauur binnen de verpleegkundige ethiek. Op basis van twee concrete voorbeelden onderzoe-ken de auteurs hoe empirisch onderzoek kan bijdragen tot ethiek. Het eerste voorbeeld is een kwantitatief onderzoek dat aangetoond heeft hoe verpleegkun-digen redeneren en hoe ze omgaan met ethische problemen in de verpleegkun-dige praktijk. Het tweede voorbeeld is een kwalitatief onderzoek dat de proces-sen beschrijft die plaatsvinden op een palliatieve zorgunit, en dat de ervaringen van patiënten, familieleden en personeelsleden van het palliatieve team in kaart brengt.
Het derde artikel, van Bert Musschenga, concentreert zich op twee vragen. De eerste vraag is van wat voor soort sociaal-wetenschappelijk onderzoek de empirische ethiek zich bedient en voor welke doeleinden dat wordt gebruikt. De tweede vraag is of empirische ethiek wezenlijk verbonden is met bepaalde posi-ties in de meta-ethiek. Anders gezegd: is empirische ethiek wel of niet meta-ethisch neutraal?
Het laatste artikel van dit themanummer is van de hand van Lieke van der Scheer en Guy Widdershoven. Na een overzicht van verschillende manieren waarop empirisch onderzoek en ethiek gecombineerd kunnen worden, concentreren de auteurs zich op ‘geďntegreerde empirische ethiek’. Via een voorbeeld van empirisch onderzoek met betrekking tot dwang en drang in de psychiatrie waaruit normatieve richtlijnen voortgevloeid zijn, bespreken de auteurs de mogelijkheden om normatieve richtlijnen te ontwikkelen op basis van empirisch onderzoek en bespreken een aantal kritieken die in de literatuur geuit werden ten op zichte van een dergelijke manier van werken.
Empirisch ethiek raakt het hart van de (bio-)ethiek. Reflectie over de mogelijkheden en de grenzen van de combinatie en integratie van empirisch onderzoek in ethiek is dan ook dringend noodzakelijk. Dit themanummer gaat in op deze nood en behandelt zowel op een fundamenteel als op een praktisch niveau de relatie tussen empirisch onderzoek en normatieve benaderingen.
Pascal Borry, Paul Schotsmans en Kris Dierickx
Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht, K.U.Leuven
|
 |
64,35 Kb |
 |
|
|
|
Recentste uitgave 23 (2013) 1 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|