| |
 |
| Ethische Perspectieven |
 |
| Juni - Nummer : 2/2005 |
| |
| De vloek van de natuurlijke rijkdommen. Multinationals en internationale verantwoordelijkheid |
| Luc Van Liedekerke |
| |
Pagina : 143 - 151 |
 |
| |
Bloeddiamanten in Afrika, ondersteunen van internationaal geïsoleerde regimes als dat in Myanmar, dumpen van olieplatformen in zee, gebruik maken van sweatshops, witwassen van geld met duistere afkomst: het is een oeverloze lijst van dubieuze praktijken waarin ondernemingen een sleutelrol vervullen en die toch nooit afgestraft worden.
Zelfs indien de mistoestanden aan het licht gebracht worden zoals in het geval van de bloeddiamanten in Afrika, blijft het moeilijk – zoniet onmogelijk – om eventuele fouten ook werkelijk juridisch te bestraffen. In het land waar de fout begaan werd ontbreekt dikwijls de wil om juridisch te bestraffen en in andere landen ontbreekt vaak de mogelijkheid.
De multinationale onderneming kent geen tegenhanger in een multinationaal juridisch regime. Wat overblijft, is vrijwillige normering door de onderneming zelf. Het is een ongemakkelijke oplossing die bijna noodzakelijk tot halfslachtige toestanden leidt. En toch kan vrijwillige normering impact hebben.
Het artikel is opgebouwd rondom een voorbeeld van vrijwillige normering. De auteur vertrek daarbij van een bekende puzzel in de economie, namelijk dat landen die heel veel natuurlijke rijkdommen bezitten daarom zelf niet rijk hoeven te zijn. Sterker nog, empirisch onderzoek wijst uit dat natuurlijke rijkdommen veeleer een vloek dan wel een zegen zijn. De oorzaken hiervan zijn erg divers, maar minstens één oorzaak dient gezocht te worden in de wijze waarop bedrijven deze natuurlijke rijkdommen in geldstromen omzetten. Hier ligt een eerder verborgen verantwoordelijkheid van bedrijven die, zoals zal blijken, enorme impact kan hebben op de ontwikkeling van een land.
Het artikel is opgebouwd in vier delen. In het eerste deel schetst de auteur het raadsel van armoede door rijkdom. Nigeria is hiervan een schrijnend voorbeeld.
Het tweede deel bespreekt een horizonverschuiving, waar vooral westerse bedrijven steeds duidelijker mee geconfronteerd worden en die impact heeft op hun vrijwillige gedragsnormen.
Het derde deel ontwikkelt het voorbeeld van olieontginning in Tsjaad. Deze activiteit wordt gekarakteriseerd door vrijwillige normering. Het betrokken bedrijf vervult daarbij een leidende rol.
Dit zal aanleiding zijn tot een politiek-filosofische reflectie over de grenzen van het soevereiniteitsbeginsel, die in deel vier wordt uitgewerkt.
|
 |
|
|
|
| Recentste uitgave 17/1 (2007) |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
| Centra |
 |
 |
 |
Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht |
 |
Centrum voor Economie en Ethiek |
 |
Centrum voor Ethiek en Waardeonderzoek |
 |
Centrum voor Ethiek, Sociale en Politieke Filosofie |
 |
Centrum voor Wetenschap, Techniek en Ethiek |
 |
Chaire Hoover d'ethique et sociale |
 |
Ethics.be |
 |
|
 |
European SPES Forum |
 |
Master in Applied Ethics |
 |
Multatuli-lezing |
 |
Overlegcentrum voor Ethiek |
 |
SPES-Forum Vzw |
 |
Wetenschap en ethiek |
|
|
|
|