Ethische Perspectieven 27 (2017) 1
Voorwoord
Jelle Zeedijk
Nu de wereld bijna twee maanden heeft kunnen zien hoe de nieuwe Amerikaanse president zijn woord dreigt te houden en vanaf dag één stappen onderneemt om echt een muur te bouwen, echt moslimimmgratie in te perken en echt de ‘obamacare’ wil afschaffen, kunnen we moeilijk nog blijven volhouden ‘dat het wel mee zal vallen’. De soep wordt in het geval van Trump blijkbaar exact zo heet gegeten als hij wordt opgediend, en we verlangen terug naar de bedachtzaamheid van Obama die net als Hillary Clinton – die dat tenminste van zichzelf beweerde – wél het karakter had om verantwoord met de nucleaire codes om te gaan. Nu stammen die kernwapens inmiddels uit een verleden tijd als het om oorlogsvoering gaat. Waarover door de democraten niet gesproken werd, is de nieuwe oorlogsvoering die onder Obama werd opgevoerd en die toch ook niet onbesproken is. Obama voerde het inzetten van drones in het Midden-Oosten op om de leiding van terreurorganisaties te liquideren. Zonder proces, zonder duidelijke democratische controle, en zonder publiek vrijgegeven ‘collateral dammage’ (lees: mensen in de omgeving van het doelwit, niet zelden vrouwen en kinderen). De techniek maakt zogezegd een ‘schone oorlog’ mogelijk, zonder ‘boots on the ground’, maar deze belofte geldt waarschijnlijk elke innovatie in de oorlogsvoering zonder dat die ooit werd ingelost. Het is daarmee dat een grondige reflectie over rechtvaardige oorlogsvoering nooit door de techniek overbodig zal worden.
In de bijdrage van Carl Ceulemans waarmee we dit nummer van Ethische perspectieven openen, wordt niet zozeer nagedacht over Obama’s drone-oorlog, maar over de ontwikkeling van Lethal Autonomous Weapon Systems (LAWS). Het gaat om systemen die nu in ontwikkeling zijn, en waardoor zelfs de concrete beslissing om – dodelijke – actie te ondernemen door programmatie van het systeem gedelegeerd wordt. Is het echter ethisch verantwoord om het gebruik van geweld te delegeren naar een amorele actor, naar een systeem? Hoewel het nog de vraag is of het zal lukken om binnen afzienbare tijd zo’n autonoom systeem te ontwikkelen, kunnen we ons ook de vraag stellen of het wel verantwoord is om aan zo’n systeem te werken. Nog los van die vraag zoekt Ceulemans in zijn bijdrage naar de toepassing van en de relevantie voor de klassieke theorie van de rechtvaardige oorlog op deze systemen.
Ook de bijdrage van Fernand Van Neste vertrekt van een klassieke theorie. Hij knoopt aan bij een rechtsspreuk van Hermogenianus die stelt dat ‘alle recht tot stand komt ter wille van mensen’ om te zien hoe het klassieke natuurrechtsdenken zich ontwikkeld heeft en wat dat vandaag de dag nog kan betekenen. De ethiek van het recht bevindt zich steeds in een spanningsveld, waarbij het recht zowel de vrijheid van de individuen in de samenleving nastreeft als de samenleving probeert te ordenen. Idealiter leeft er een gemeenschappelijk idee van het goede in de samenleving, zodat ordening en vrijheid niet op gespannen voet met elkaar staan. In tijden van grote conflicten en migratiestromen is het gemeenschappelijk goede echter minder goed gearticuleerd en zal de mens naast het recht nog andere krachtbronnen moeten aanboren om het goede na te streven.
Met de laatste bijdrage, van de hand van Petra Pijnakker, Joris Slaets en Marian Verkerk, zetten we de reflectie over het goede levenseinde voort. De auteurs knopen hiervoor aan bij een actuele discussie in Nederland waar de euthanasievraag van wie zijn leven voltooid acht op de politieke agenda staat. In deze bijdrage wordt het ‘verlangen naar de dood’ als een ‘levend verlangen’ voorgesteld, waarbij het van belang is de vraag niet in een snelle procedure af te handelen, maar juist tijd en ruimte te nemen opdat er binnen de relatie arts-patiënt een proces gestart kan worden waarin ook aandacht is voor andere scenario’s dan de fixatie op het al dan niet toekennen van de euthanasie. In de bijdrage wordt een casus gevolgd van een ongeneeslijk zieke (jonge) man die juist door het betreden van die ‘potentiële ruimte’ met zijn naasten nog een zinvol einde van zijn leven kan beleven en het gesprek kan voltooien. Misschien dat een uitbreiding van de wet naar een nieuwe categorie van mensen wier leven ‘voltooid’ is, te weinig oog heeft voor de dynamiek van het verlangen naar de dood en de voltooiing van het leven.
Pagina : 1 - 2