Ethische Perspectieven 27 (2017) 2

Voorwoord

Jelle Zeedijk


Begin juni worden in het Verenigd Koninkrijk vervroegde verkiezingen gehouden, uitgeschreven door Theresa May die daarmee een steviger mandaat hoopt te krijgen voor de Brexit-onderhandelingen. Die onderhandelingen zullen de nieuwe verhoudingen tussen het Verenigd Koninkrijk en Europa bepalen. Het Verenigd Koninkrijk hoop op een goede ‘deal’ waarin ze wel de lusten maar niet de lasten van de Europese markt uit kunnen slepen; Europa is niet geneigd tot zo’n deal, omdat het lidstaten met gelijkaardige verzuchtingen wel eens op ideeën zou kunnen brengen.

De verkiezingsrace vertoont gelijkenissen met die in Amerika. Niet met de presidentsverkiezingen, maar met de democratische ‘primaries’, waarin een oudere vrouw het als favoriet van het establishment opneemt tegen een oudere man, die zich zijn hele leven in de marge heeft opgehouden, en socialistische waarden is blijven verdedigen die tijdens zijn leven steeds meer in de verdrukking raakten.

Net als Clinton begon May met een dergelijk riante voorsprong in de peilingen dat de tegenstrever niet serieus genomen hoefde te worden. Net als Sanders wist Jeremy Corbyn die voorsprong op verbazend korte tijd echter tot enkele procenten terug te brengen en wist hij met een positief alternatief vooral de jongere kiezers voor zich te winnen. Bovendien is Corbyn er in geslaagd om deze verkiezingen niet louter om Brexit te laten gaan, maar onderwerpen op de agenda te zetten die eigenlijk in alle algemene verkiezingen besproken moeten worden: de verdeling van de welvaart en investeringen in publieke goederen als onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer. Labour onder Corbyn pleit er zelfs voor om het spoor terug te nationaliseren, waar dit in al geruime tijd – ook onder labour – opgeknipt werd in vele private bedrijven die spoorlijnen pachtten van de overheid. De plannen zijn volgens de conservatieven natuurlijk onbetaalbaar en naïef, maar ze zijn wel populair, onder andere omdat de privatiseringen als die van het spoor, niet voor een betere dienstverlening hebben gezorgd in de ogen van de gebruikers, integendeel.

Uiteindelijk draait het bij de verkiezingen om de vraag in welk soort maatschappij de mensen willen leven? Jeremy Corbyn lijkt bij een flink deel van de Britten gehoor te vinden als hij ze aanspreekt als één gemeenschap die ondanks de diversiteit van die gemeenschap, zelf de beleidskeuzes bepaalt en inzet op kwalitatieve publieke diensten in handen van de overheid. De overheid werkt zo ‘for the many, not the few’; voor de hele gemeenschap, en niet voor de aandeelhouders van de geprivatiseerde overheidsbedrijven. De conservatieven, die ondanks de opmars van labour, vooralsnog aan het langste eind trekken, bespelen ook graag een collectief sentiment, en dat gaat in de nasleep van de terreuraanslagen die het Verenigd Koninkrijk dit voorjaar te verduren kreeg, vooral om ‘onze veiligheid’. Hierbij wordt de eenheid van het land vooral gedefinieerd ten opzichte van een externe vijand, niet zozeer als een kracht die het mogelijk maakt om positieve en publieke diensten voor het algemeen belang te realiseren.

Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke, auteurs van ‘De supersamenwerker’, analyseren in hun bijdrage ‘Samenleven kun je niet alleen’, hoe nieuwe inzichten in de evolutie- en de neurowetenschappen aanleiding geven tot een heel ander mensbeeld dan het vigerende. Waar we, geïnspireerd door sociaal-darwinistische theorieën, de samenleving soms als een strijd van allen tegen allen beschouwen, toont de wetenschap en hernieuwde lectuur van Darwin zelf dat de mens zich maar zo heeft kunnen ontwikkelen dankzij zijn talent om samen te werken met andere mensen. Je kan er een politiek vooringenomen lezing in zien, maar Van Duppen en Hoebeke tonen overtuigend aan dat het omgekeerde het geval is: de wankele sociaal-darwinistische ideeën werden door voorvechters van een neoliberale politiek als ultieme legitimering opgevoerd. Politiek en economie moeten er vanuit gaan dat de mens vooral door eigenbelang gedreven wordt en slechts oog heeft voor het eigen goed. Met een nieuwe generatie evolutie- en neurowetenschappers is er eindelijk aandacht voor empathie, altruïsme en samenwerking (en wordt het sociaal-darwinistische machtsargument van de pleitbezorgers van het neoliberalisme ontzenuwd).

Afshin Ellian en Bastiaan Rijpkema leveren een bijdrage aan de ‘Weerbare democratie’-literatuur door deze theorie vanuit het werk van Karl Popper en Claude Lefort te belichten. Hoewel beiden niet zonder meer tussen de weerbare democratie-denkers kunnen worden gerangschikt zijn in hun werk toch argumenten te vinden voor deze theorie die stelt dat een democratie niet absoluut neutraal moet zijn, maar de vijanden van de democratie, die uit zijn op de vernietiging van de democratie, dient uit te sluiten van verkiezingen. Ondanks dat dit ingaat tegen het beeld dat we van een democratie hebben – een ruimte waarin grondige verschillen van mening op geweldloze manier kunnen worden beslecht – kunnen antidemocratische meningen worden uitgesloten van debat.

Van een andere aard is de bijdrage van Herman Lodewyckx die in zijn bijdrage het karakter en de zin van ingenieursethiek schetst. Op basis van zijn jarenlange ervaring als ethicus in de opleiding van ingenieurs schetst hij een denkkader voor ingenieurs dat hen kan helpen om professionele keuzes te maken met het oog op de ontwikkeling van een verantwoorde technologie.

We beginnen dit nummer echter met een beschouwing van Paul De Grauwe. De Grauwe analyseert de oorzaken van de Brexit, en ziet die onder andere gelegen in de Europese reactie op de financiële crisis. Door budgettaire regels boven alles te stellen in plaats van te investeren heeft Europa er voor gezorgd dat het onderscheid tussen de winnaars en de verliezers van de globalisering is uitgediept en schrijnend is geworden. Dat ongenoegen keerde zich tegen Brussel en zocht zijn heil in de Brexit. Voorts bespreekt De Grauwe de houding die Europa in de onderhandelingen met de Britten moet aannemen. Eigenlijk is er maar één optie voor de Britten, een harde Brexit waarin ze zoals alle andere landen binnen het kader van de WHO handel kunnen drijven met Europa. Alles wat Europa daarop toegeeft, elk achterpoortje tot de interne markt, zou de verdere integratie van Europa in de weg staan. De Britten, die sinds het ontstaan van de EU al uit zijn op een ‘zwak’ Europa, zouden daarmee hun slag thuis halen.

 Pagina : 99 - 100

Naar  Ethische Perspectieven 2/2017